Bevalling: verloop, fasen en medische achtergrond

Na ongeveer 37 weken in de baarmoeder verlaat de foetus het lichaam via het geboortekanaal. Dit moment valt gemiddeld 40 weken na het begin van de zwangerschap. De bevalling vormt daarmee het eindpunt van een lang biologisch proces dat begint bij de bevruchting en eindigt met de geboorte van een kind.

Zwangerschapsduur en bevruchting

Embryo in de baarmoeder met baarmoederslijmvlies, placenta, navelstreng, vruchtvliezen en vruchtwater tijdens het begin van de zwangerschap Artsen tellen een zwangerschap vanaf de eerste dag van de laatste menstruatie. Ongeveer veertien dagen later volgt de eisprong. Binnen 24 uur kan de eicel in de eileider worden bevrucht door een zaadcel. Omdat het exacte moment van bevruchting meestal onbekend blijft, gebruiken artsen deze rekenmethode.

Daardoor geldt een vrouw op het moment van bevruchting officieel al als twee weken zwanger. Vervolgens begint de bevruchte eicel zich te delen in de eileider en nestelt zij zich na ongeveer een week in de baarmoederwand. Na gemiddeld 37 weken in de baarmoeder is de baby voldoende ontwikkeld om geboren te worden.

Een geboorte tussen drie weken vóór en twee weken na de uitgerekende datum beschouwen artsen als normaal. Toch kunnen in uitzonderlijke gevallen kinderen zelfs extreem vroeg geboren worden en overleven, zoals een baby die in 2006 werd geboren na 21 weken en zes dagen zwangerschap.

Indalen en ligging van de baby

Tegen het einde van de zwangerschap daalt de foetus meestal in. Dit betekent dat het hoofdje naar beneden in het bekken zakt. Bij ongeveer vijf procent van de zwangerschappen ligt de baby echter in stuitligging, waarbij het hoofdje omhoog ligt en de billen of voeten als eerste worden geboren.

De fasen van de bevalling

Ontsluitingsfase

De bevalling start met de ontsluitingsfase. In deze periode gaat de baarmoedermond steeds verder open en beginnen de weeën. Deze weeën bestaan uit krachtige samentrekkingen van de baarmoederspier die de baby richting de baarmoedermond duwen.

Uitdrijvingsfase

Zodra de baarmoedermond volledig is geopend tot ongeveer tien centimeter, begint de uitdrijvingsfase. Door krachtige weeën en actief meepersen komt het kind via het geboortekanaal ter wereld.

Nageboorte

Na de geboorte volgen meestal nog enkele naweeën. Deze zorgen ervoor dat de placenta (moederkoek) loslaat van de baarmoederwand en dat de baarmoeder weer krimpt. Deze laatste fase heet de nageboorte.

Ademhaling en navelstreng

Tijdens de zwangerschap ontvangt de foetus zuurstof via de navelstreng. In het geboortekanaal kan de baby nog niet zelfstandig ademhalen. Pas na de geboorte, wanneer de baby begint te huilen of wanneer vruchtwater uit de luchtwegen wordt verwijderd, gaan de longen functioneren.

Zodra de ademhaling op gang komt, knipt men de navelstreng door. Daarmee raakt de baby volledig losgekoppeld van het lichaam van de moeder.

Bevalling en medische ontwikkelingen

De levensverwachting van de mens is in de loop van de geschiedenis sterk toegenomen. In de steentijd lag deze rond de negentien jaar, tijdens het Romeinse Rijk rond de 22 jaar en tegenwoordig gemiddeld rond de 82 jaar. Vooral betere medische zorg rondom zwangerschap en bevalling speelt hierbij een belangrijke rol.

Wereldwijd overlijden nog steeds jaarlijks ongeveer een half miljoen vrouwen aan complicaties tijdens zwangerschap of bevalling. Dit aantal lag vroeger echter aanzienlijk hoger. Medische innovaties, zoals de verlostang die in 1670 werd uitgevonden en de steeds veiligere uitvoering van de keizersnede, hebben daardoor veel levens gered.

De naam keizersnede wordt vaak gekoppeld aan Julius Caesar, maar dit verhaal berust waarschijnlijk op een mythe. De term is vermoedelijk afgeleid van het Latijnse woord caedere, wat ‘snijden’ betekent.

Meer uitleg over zwangerschap is te vinden op zwangerschap en zwanger worden .

Aanvullende achtergrondinformatie over de bevalling is te vinden op Wikipedia: Bevalling .