9.5 Bloedtransfusie | Uitlegfilm
In deze basistof leer je over transplantaties en bloedtransfusies. We bespreken de bloedgroepen, de rhesusfactor en de mogelijke problemen die daarbij kunnen ontstaan, bijvoorbeeld tijdens een zwangerschap. Ook bekijken we de rol van bloedgroepen bij transplantaties.
Transplantaties
Een transplantatie is een medische ingreep waarbij een beschadigd orgaan wordt vervangen door een gezond orgaan. Vaak komt dat orgaan van een overleden donor, maar soms kan een levend persoon een orgaan afstaan, bijvoorbeeld een nier. Omdat een mens twee nieren heeft, kan iemand één nier doneren als er een goede match is met de ontvanger.
Bij een transplantatie is het belangrijk dat de antigenen van de donor zoveel mogelijk lijken op die van de patiënt. Hoe beter de overeenkomst, hoe kleiner de kans op afstoting.
Een afstotingsreactie ontstaat wanneer het immuunsysteem van de ontvanger de eiwitten op het celmembraan van het donororgaan herkent als lichaamsvreemd. Het lichaam start dan een afweerreactie tegen het nieuwe orgaan. Normaal is zo’n reactie nuttig, maar bij een transplantatie wil je dat juist voorkomen.
Het HLA-systeem (Human Leukocyte Antigen) speelt hierbij een sleutelrol. Dit systeem, onderdeel van het MHC-complex, helpt lymfocyten onderscheid maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde cellen. Hoe beter het HLA-systeem van donor en ontvanger overeenkomt, hoe kleiner de kans op afstoting. Daarnaast kunnen medicijnen worden gebruikt om het immuunsysteem tijdelijk te onderdrukken.
Bloedgroepen
Er zijn twee belangrijke bloedgroepsystemen: het ABO-systeem en de rhesusfactor.
Bij het ABO-systeem kunnen rode bloedcellen drie verschillende bloedfactoren dragen: A, B of geen van beide. Bij bloedgroep A zitten er A-antigenen op de rode bloedcellen en anti-B in het plasma. Bij bloedgroep B is dit omgekeerd: B-antigenen op de cellen en anti-A in het plasma. Mensen met bloedgroep AB hebben zowel A- als B-antigenen en geen antistoffen. Bij bloedgroep 0 ontbreken de antigenen, maar zijn er juist anti-A en anti-B aanwezig.
Een bloedtransfusie is alleen veilig als de bloedgroepen goed bij elkaar passen. Ontvang je bloed met antigenen waar je zelf antistoffen tegen hebt, dan klonteren de bloedcellen samen. Zo kan iemand met bloedgroep A bloed krijgen van A of 0, maar niet van B. Bloedgroep 0 is de universele donor en bloedgroep AB de universele ontvanger.
De rhesusfactor
De rhesusfactor is een eiwit aan de buitenkant van rode bloedcellen. Heb je dit eiwit, dan ben je rhesuspositief (Rh+). Heb je het niet, dan ben je rhesusnegatief (Rh–).
Wanneer rhesuspositief bloed wordt toegediend aan iemand die rhesusnegatief is, herkent het lichaam dit als vreemd. Het gaat dan antistoffen aanmaken tegen de rhesusfactor. Bij een volgende transfusie met rhesuspositief bloed kan dit leiden tot een gevaarlijke afweerreactie.
Een vergelijkbare situatie kan optreden tijdens een zwangerschap. Als een rhesusnegatieve moeder een rhesuspositief kind draagt, kunnen er rode bloedcellen van het kind in haar bloed terechtkomen. Haar lichaam maakt dan anti-rhesusantistoffen aan. Dat is bij de eerste zwangerschap meestal geen probleem, maar bij een volgende zwangerschap met opnieuw een rhesuspositief kind kunnen die antistoffen de rode bloedcellen van het kind aanvallen. Dit kan ernstige bloedarmoede veroorzaken.
Om dit te voorkomen krijgt de moeder na de geboorte van haar eerste rhesuspositieve kind een injectie met antistoffen tegen de rhesusfactor. Deze hechten zich aan eventuele rhesuspositieve bloedcellen van het kind in haar bloed, zodat haar eigen immuunsysteem niet wordt geactiveerd. Zo ontstaan er geen problemen bij een volgende zwangerschap.
Dat was de uitleg over transplantaties, bloedgroepen en de rhesusfactor. Succes met het leren en tot de volgende keer!
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 9.5
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 9.5
.