9.5 Bloedtransfusie Samenvatting
Wanneer heb je bloed nodig?
Bij ernstig bloedverlies door een ongeluk of operatie kan een bloedtransfusie nodig zijn om bloed of bepaalde bestanddelen van bloed aan te vullen. Er zijn verschillende soorten bloedtransfusies:
- Rode bloedcellen: Voor mensen met bloedarmoede of veel bloedverlies, om het zuurstoftransport te herstellen.
- Bloedplasma: Voor patiënten met brandwonden, infecties of hemofilie, omdat plasma stollingseiwitten en andere stoffen bevat.
- Bloedplaatjes: Voor leukemiepatiënten, omdat zij vaak te weinig bloedplaatjes hebben, wat kan leiden tot bloedingen.
Kun je van iedereen bloed krijgen?
Bloedgroepen zijn belangrijk bij transfusies vanwege antigenen (A, B of geen) op de rode bloedcellen. Er zijn vier bloedgroepen:
- A: Antigeen A, maakt antistof tegen B.
- B: Antigeen B, maakt antistof tegen A.
- AB: Antigenen A en B, maakt geen antistoffen; kan elke bloedgroep ontvangen (universele ontvanger).
- O: Geen antigenen; kan aan elke bloedgroep doneren (universele donor), maar maakt antistoffen tegen A en B.
Bij een verkeerde bloedgroep kunnen antistoffen de rode bloedcellen laten klonteren. Dit kan bloedvaten verstoppen en is levensgevaarlijk.
Wat betekent + of – in je bloedgroep?
De resusfactor (Rh) bepaalt of je resuspositief (Rh+) of resusnegatief (Rh–) bent. Bij transfusies moet hier rekening mee worden gehouden, omdat een resusnegatieve ontvanger antistoffen aanmaakt tegen resuspositief bloed.
Dit kan ook bij zwangerschap problemen veroorzaken als een resusnegatieve moeder een resuspositieve baby draagt. Dat kan leiden tot resusziekte bij een volgende zwangerschap. Een resusprik voorkomt dit door antistoffen tegen resuspositieve cellen toe te voegen, zodat het immuunsysteem van de moeder niet zelf antistoffen aanmaakt.
Hoe verloopt een orgaantransplantatie?
Bij chronische ziektes kan een orgaantransplantatie nodig zijn. Een donor geeft een orgaan aan een patiënt, maar het immuunsysteem kan het donororgaan afstoten omdat het lichaamsvreemde antigenen herkent.
Om afstoting te voorkomen, neemt de patiënt afweerremmers. De kans op succesvolle transplantatie is groter met organen van familieleden vanwege overeenkomstige weefselkenmerken.
Organen zoals een nier kunnen soms worden gedoneerd bij leven, terwijl andere, zoals het hart, alleen na overlijden kunnen worden gedoneerd. Door een tekort aan donororganen staan veel patiënten lang op een wachtlijst.
Woordenlijst
- Afweerremmers: Medicijnen die het afweersysteem remmen, waardoor de kans op afstoting van een donororgaan kleiner wordt.
- Bloedgroep: Geeft aan welke antigenen er op het membraan van je rode bloedcellen zitten.
- Bloedklontering: Door antistoffen in het bloedplasma ‘plakken’ rode bloedcellen aan elkaar als je bloed krijgt van een verkeerde bloedgroep.
- Bloedtransfusie: Het toedienen van bloed.
- Bloeddonor: Iemand die bloed geeft voor bloedtransfusies.
- Chronische ziekte: Ziekte die nooit meer overgaat.
- Donor: Iemand die een orgaan weggeeft.
- Donorregister: Lijst waarin wordt opgeslagen wie donor wil zijn en wie niet.
- Orgaanafstoting: Het vernietigen van een donororgaan door de witte bloedcellen van de patiënt.
- Orgaantransplantatie: Een ziek orgaan vervangen door een donororgaan.
- Resusantigeen: Bepaald antigeen op rode bloedcellen.
- Resusfactor: Geeft aan of je het resusantigeen wel of niet op je rode bloedcellen hebt.
- Resusnegatief: Dit ben je als je rode bloedcellen geen resusantigeen hebben.
- Resuspositief: Dit ben je als je rode bloedcellen wel het resusantigeen hebben.
- Universele donor: Donor met bloedgroep O; kan aan iedereen bloed doneren omdat zijn bloedcellen geen antigenen bevatten.
- Universele ontvanger: Iemand met bloedgroep AB; heeft geen antistoffen en kan daardoor elke bloedgroep ontvangen.
Alles gelezen? Test jezelf met een paar vragen en kijk wat je al goed begrijpt over paragraaf 9.5!
Meer leren? Wikipedia – Bloedtransfusie.
Meer lezen? Scientias.nl – Menselijke stamcellen maken voor het eerst bloed in het lab .