9.5 Bloedtransfusie | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Wat is een bloedtransfusie? A. Het vervangen van een beschadigd orgaan B. Het toedienen van bloed aan een patiënt C. Het meten van het hemoglobinegehalte D. Het controleren van bloedgroepen 2. Wat is de functie van rode bloedcellen bij een bloedtransfusie? A. Vervoeren van zuurstof en koolstofdioxide B. Stollen van het bloed C. Voorkomen van infecties D. Vernietigen van witte bloedcellen 3. Welke patiënten krijgen meestal bloedplaatjes toegediend? A. Mensen met een hartaanval B. Mensen met brandwonden C. Leukemiepatiënten D. Patiënten met bloedarmoede 4. Wat gebeurt er bij bloedklontering? A. Rode bloedcellen lossen op in het plasma B. Het bloed wordt dunner C. Rode bloedcellen plakken aan elkaar door antistoffen D. Witte bloedcellen vallen de rode bloedcellen aan 5. Wat is een bloeddonor? A. Iemand die antistoffen maakt B. Iemand die bloed geeft aan een patiënt C. Iemand die een orgaan doneert D. Iemand die bloedplasma aanmaakt 6. Welk bloed kenmerk hoort bij bloedgroep B? A. Geen antigenen B. Antigeen B op de rode bloedcellen C. Geen antistoffen D. Antistoffen tegen A en B 7. Welke bloedgroep is universele ontvanger? A. Bloedgroep B B. Bloedgroep AB C. Bloedgroep 0 D. Bloedgroep A 8. Wat zit er in het bloedplasma van iemand met bloedgroep 0? A. Anti-A en anti-B B. Alleen antigeen A C. Geen antistoffen D. Alleen antigeen B 9. Wat is een gevolg van het krijgen van een verkeerde bloedgroep? A. Het bloedplasma verdampt B. De rode bloedcellen klonteren en verstoppen bloedvaten C. De witte bloedcellen verdwijnen D. De rode bloedcellen groeien extra snel 10. Waarom is bloedgroep 0 de universele donor? A. Omdat dit bloed geen plasma bevat B. Omdat de rode bloedcellen geen antigenen hebben C. Omdat deze groep alleen bloed ontvangt D. Omdat er veel antistoffen in het plasma zitten 11. Wat betekent het als iemand resuspositief is? A. Er zijn geen antigenen aanwezig B. De bloedgroep is AB C. De rode bloedcellen hebben het resusantigeen D. Er zitten antistoffen tegen resus in het bloed 12. Wanneer kan resusziekte optreden? A. Bij een man met resuspositief bloed B. Als een kind bloedgroep 0 heeft C. Als een resusnegatieve moeder een resuspositieve baby heeft D. Als de moeder AB is en het kind O 13. Wat doet een resusprik bij een zwangere vrouw? A. Zorgt dat de bloedgroep van het kind verandert B. Voorkomt dat de moeder antistoffen maakt tegen het kind C. Maakt het bloed dunner D. Voorkomt dat het kind resuspositief wordt 14. Wat is het doel van afweerremmers na een orgaantransplantatie? A. Het onderdrukken van de afweer tegen het donororgaan B. Het verhogen van de bloeddruk C. Het versnellen van wondgenezing D. Het aanmaken van antistoffen stimuleren 15. Wat is orgaanafstoting? A. Als een orgaan ziek wordt B. Als het afweersysteem een donororgaan aanvalt C. Als een transplantatie niet lukt vanwege bloedverlies D. Als het lichaam stopt met bloed maken 16. Wat is een chronische ziekte? A. Een tijdelijke aandoening B. Een besmettelijke ziekte C. Een ziekte die nooit meer overgaat D. Een ziekte die je alleen als kind hebt 17. Wat is een nadeel van afweerremmers? A. Ze verhogen je antistoffen B. Ze maken je bloed dunner C. Je afweer tegen ziektes wordt zwakker D. Ze zorgen voor te veel zuurstof 18. Waar zitten de antistoffen in het bloed? A. In de rode bloedcellen B. In het bloedplasma C. In het beenmerg D. In de bloedplaatjes 19. Wat is het gevolg van antistoffen tegen resus bij een baby? A. Verhoogde bloeddruk B. De rode bloedcellen worden afgebroken C. Ontstekingen in het beenmerg D. Extra witte bloedcellen 20. Wanneer ontstaat resusziekte meestal? A. Bij een tweede zwangerschap met een resuspositieve baby B. Wanneer moeder AB is en kind B C. Alleen bij de bevalling van het eerste kind D. Als de vader ook resusnegatief is 21. Waarom is bloedgroep AB een universele ontvanger? A. Heeft alleen antigeen A B. Heeft anti-B C. Heeft geen antistoffen in het plasma D. Heeft alleen antigeen B 22. Wat is een resusantigeen? A. Een antistof tegen bloedgroep A B. Een eiwit op rode bloedcellen C. Een stof in het beenmerg D. Een hormoon in het bloedplasma ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden