6.1 Eten en gegeten worden | Uitlegfilm

Wat bestudeert ecologie?

In dit hoofdstuk start het thema ecologie. Ecologie gaat over de relatie tussen organismen en de omgeving waarin zij leven. Daarbij kijk je niet alleen naar organismen onderling, maar ook naar invloeden uit de omgeving, zoals licht, temperatuur, wind en neerslag.

Organismen hebben voortdurend invloed op elkaar. Zo kan een rups bladeren van een boom eten. Daardoor beïnvloedt de rups de boom. Tegelijk kan die rups weer gegeten worden door een vogel, waardoor ook dat dier invloed heeft op de rups. Zo ontstaat er een netwerk van relaties.

Daarnaast spelen omgevingsfactoren een grote rol. Bij regen zoeken vogels bijvoorbeeld beschutting. Tijdens lange droogte kunnen bomen minder bladeren krijgen. Als je ecologie bestudeert, kijk je dus altijd naar het geheel: alle organismen in een gebied én alle omstandigheden daaromheen.

Omdat ecologie zo uitgebreid is, wordt de werkelijkheid vaak vereenvoudigd. In deze basisstof gebeurt dat met behulp van voedselketens en voedselwebben. Zo wordt een groot en complex systeem beter begrijpelijk.

Voedselketens en producenten

Een voedselketen is een reeks organismen die voor hun voedsel van elkaar afhankelijk zijn. Alle organismen hebben namelijk energie nodig om te leven. Die energie krijgen ze meestal door andere organismen te eten.

Een voedselketen begint altijd met een producent. Producenten zijn meestal planten met bladgroenkorrels. Zij kunnen met behulp van zonlicht zelf voedsel maken door fotosynthese. Daarbij ontstaat glucose, een energierijke stof.

De energie van het zonlicht wordt vastgelegd in die glucose. Wanneer een dier een plant eet, krijgt het die energie binnen. Eet vervolgens een ander dier dat eerste dier, dan gaat de energie weer een stap verder in de voedselketen.

De pijlen in een voedselketen lees je altijd als wordt gegeten door. Zo zie je duidelijk hoe energie door de keten stroomt. Uiteindelijk zijn alle dieren afhankelijk van producenten, omdat alleen zij energie uit zonlicht kunnen vastleggen.

Voedselwebben en afhankelijkheid

In de natuur bestaat een gebied niet uit één voedselketen, maar uit veel met elkaar verbonden ketens. Samen vormen die een voedselweb. Een voedselweb is een schematische weergave van alle voedselrelaties binnen een gebied.

In zo’n voedselweb zie je dat organismen vaak meerdere voedselbronnen hebben. Een plant kan door verschillende dieren gegeten worden, en één dier kan zelf ook weer prooi zijn voor meerdere roofdieren. Daardoor zijn organismen op meerdere manieren met elkaar verbonden.

Ook in een voedselweb begint alles met een producent. Ontbreekt die, dan klopt het voedselweb niet. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij examenvragen. Soms moet je in een voedselweb een fout aanwijzen, en dan ontbreekt vaak juist de producent.

Uit een voedselweb kun je ook losse voedselketens halen. Zo kies je een aantal schakels achter elkaar die samen één keten vormen. Daarmee laat je zien hoe organismen in een gebied van elkaar afhankelijk zijn voor hun voedsel.

Fotosynthese, verbranding en energierijke stoffen

Fotosynthese en verbranding spelen een centrale rol in voedselketens en voedselwebben. Bij fotosynthese gebruiken planten zonlicht om van water en koolstofdioxide glucose en zuurstof te maken. De energie van de zon wordt zo opgeslagen in glucose.

Die glucose bevat veel energie. Planten gebruiken een deel daarvan zelf, bijvoorbeeld om te groeien of vruchten te maken. De rest van de energie komt beschikbaar voor andere organismen die de plant eten.

Bij verbranding wordt glucose met behulp van zuurstof afgebroken. Daarbij ontstaan koolstofdioxide en water, en komt energie vrij. Die energie is nodig om te bewegen, te groeien en zich voort te planten. Verbranding vindt plaats in alle organismen, ook in planten.

Organismen die zelf geen glucose kunnen maken, heten consumenten. Zij eten andere organismen om aan energierijke stoffen te komen. Daarnaast zijn er reducenten, zoals bacteriën en schimmels. Zij breken dode resten en afvalstoffen af.

Door deze afbraak komen stoffen vrij die planten weer nodig hebben. Zo ontstaat er een evenwicht in de natuur. Producenten, consumenten en reducenten zijn onmisbaar en vormen samen de basis van voedselketens en voedselwebben.