6.1 Eten en gegeten worden Samenvatting

Fotosynthese: energie vastleggen in glucose

Schema van fotosynthese met water, koolstofdioxide, zonlicht, glucose en zuurstof in groene plantendelen Planten maken hun eigen voedsel met behulp van fotosynthese. Hierbij nemen ze koolstofdioxide op uit de lucht en water uit de bodem. In de bladgroenkorrels zetten ze deze stoffen om in glucose en zuurstof, met behulp van licht van de zon. Glucose is een energierijke stof, waarin zonlicht als het ware is ‘opgeslagen’. Zo vormt de plant de basis van bijna alle voedsel in de natuur.

Verbranding en stofwisseling

De energie uit glucose komt vrij bij verbranding, een proces dat in elke cel van een organisme gebeurt. Hierbij reageert glucose met zuurstof, en ontstaan weer energiearme stoffen: koolstofdioxide en water. De energie die vrijkomt, gebruiken organismen om te bewegen, te groeien of warm te blijven. Zowel fotosynthese als verbranding zijn vormen van stofwisseling: het omzetten van stoffen in andere stoffen in een organisme.

Voedselketens en voedselwebben

Een voedselketen is een reeks van organismen, waarbij de ene soort wordt gegeten door de volgende. Elke voedselketen begint met een producent, meestal een plant. Daarna volgen dieren: planteneters vormen de tweede schakel, en vleeseters de derde of hogere schakels. Alleseters kunnen op meerdere plekken in de keten voorkomen. In de natuur lopen veel voedselketens door elkaar. Al deze relaties samen noem je een voedselweb.

Schema van de koolstofkringloop met koolstofdioxide in de lucht, producenten zoals planten, consumenten zoals dieren, reducenten zoals schimmels en bacteriën, fotosynthese en verbranding

Rollen van organismen in het ecosysteem

Producenten zijn organismen met bladgroen die van energiearme stoffen energierijke stoffen maken. Dieren zijn consumenten, omdat ze afhankelijk zijn van deze stoffen. Aan het einde van de keten staan reducenten: bacteriën en schimmels die dode planten en dieren afbreken. Ze zetten energierijke stoffen weer om in energiearme stoffen, zoals mineralen, die planten opnieuw kunnen gebruiken. Zo ontstaat een kringloop van stoffen in de natuur.

Woordenlijst

  • Alleseters: Dieren die zowel planten als dieren eten en verschillende schakels kunnen vormen.
  • Consumenten: Organismen die leven van energierijke stoffen die door andere organismen zijn gemaakt.
  • Energiearme stoffen: Stoffen die weinig energie bevatten, zoals koolstofdioxide, water, zuurstof en mineralen.
  • Energierijke stoffen: Stoffen die veel energie bevatten, zoals glucose, koolhydraten, eiwitten en vetten.
  • Fotosynthese: Proces waarbij in bladgroenkorrels koolstofdioxide en water worden omgezet in glucose en zuurstof met behulp van energie uit zonlicht.
  • Kringloop: Zich herhalend proces waarbij stoffen steeds opnieuw worden gebruikt in de natuur.
  • Mineralen: Energiearme stoffen in de bodem die door planten met hun wortels worden opgenomen.
  • Planteneters: Dieren die alleen planten eten en in een reeks altijd de tweede schakel vormen.
  • Producenten: Organismen met bladgroen die energiearme stoffen omzetten in energierijke stoffen.
  • Reducenten: Bacteriën en schimmels die energierijke stoffen uit dode organismen afbreken tot energiearme stoffen.
  • Stofwisseling: Alle processen in een organisme waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen.
  • Vleeseters: Dieren die andere dieren eten en nooit de eerste of tweede schakel zijn.
  • Voedselketen: Een reeks soorten, waarbij elke soort wordt opgegeten door de volgende soort in de reeks.
  • Voedselweb: Alle voedselrelaties in een gebied, waarbij verschillende reeksen door elkaar heen lopen.