6.1 Eten en gegeten worden | Test jezelf Resultaat Probeer opnieuw 1. Welk proces zorgt ervoor dat planten glucose kunnen maken? A. Ademhaling B. Fotosynthese C. Verbranding D. Kringloop 2. Waar in de plant vindt fotosynthese plaats? A. In de bloemen B. In de wortels C. In de bladgroenkorrels D. In de stengel 3. Wat is een energiearme stof? A. Zuurstof B. Vet C. Glucose D. Eiwit 4. Wat is een energierijke stof? A. Zuurstof B. Koolstofdioxide C. Water D. Glucose 5. Welke stof komt vrij bij fotosynthese? A. Eiwit B. Zuurstof C. Koolstofdioxide D. Water 6. Welke organismen maken energierijke stoffen van energiearme stoffen? A. Alleseters B. Reducenten C. Producenten D. Consumenten 7. Wat is de eerste schakel in elke voedselketen? A. Organismen met bladgroenkorrels B. Alleseters C. Vleeseters D. Planteneters 8. Wat gebeurt er bij verbranding van glucose? A. Er ontstaat zonlicht B. Er wordt water opgenomen C. Er ontstaat glucose D. Er komt energie vrij 9. Wat zijn consumenten? A. Organismen die energierijke stoffen nodig hebben via voedsel B. Bacteriën die stoffen omzetten C. Planten die fotosynthese doen D. Organismen die alleen dode resten afbreken 10. Hoe noem je dieren die zowel planten als dieren eten? A. Reducenten B. Vleeseters C. Alleseters D. Planteneters 11. Wat zijn reducenten? A. Vleeseters B. Planteneters C. Producenten met bladgroen D. Bacteriën en schimmels die resten afbreken 12. Wat zijn planteneters altijd in een voedselketen? A. Laatste schakel B. Derde schakel C. Tweede schakel D. Eerste schakel 13. Wat ontstaat er bij verbranding van glucose? A. Koolstofdioxide, water en energie B. Alleen zuurstof C. Glucose en energie D. Alleen water 14. Wat zijn voorbeelden van energierijke stoffen? A. Koolstofdioxide en water B. Zouten en mineralen C. Zuurstof, water en licht D. Eiwitten, vetten en glucose 15. Wat is een voedselweb? A. De wortels van planten B. Alle voedselrelaties in een gebied C. Eén keten van eten en gegeten worden D. Een soort spinnenweb 16. Wat gebruiken planten om glucose te maken? A. Koolstofdioxide, water en zonlicht B. Zuurstof en eiwitten C. Alleen zonlicht D. Alleen mineralen 17. Wat zijn producenten in een ecosysteem? A. Vleeseters B. Alleseters C. Planten en algen D. Bacteriën en schimmels 18. Wat gebeurt er in de kringloop? A. Energie wordt vernietigd B. Er worden nieuwe stoffen gemaakt C. Fotosynthese stopt D. Stoffen worden steeds opnieuw gebruikt 19. Wat zijn vleeseters in een voedselketen? A. Altijd tweede schakel B. Altijd derde of hogere schakel C. Nooit consument D. Altijd eerste schakel 20. Waar halen planten mineralen vandaan? A. Uit zonlicht B. Uit andere planten C. Uit de bodem via hun wortels D. Uit de lucht 21. Wat zijn alleseters in een voedselketen? A. Ze kunnen in verschillende schakels voorkomen B. Ze maken hun eigen voedsel C. Ze zijn altijd eerste schakel D. Ze breken dode resten af 22. Welk proces hoort bij de stofwisseling? A. Ademen B. Slapen en groeien C. Fotosynthese en verbranding D. Eten 23. Wat zijn kenmerken van producenten? A. Ze eten afval B. Ze zetten zonlicht om in glucose C. Ze leven in de bodem D. Ze eten andere dieren 24. Wat is fotosynthese een voorbeeld van? A. Reductie B. Verbranding C. Ademhaling D. Stofwisseling Vorige Volgende Controleer antwoorden