9.5 Bestuiving, bevruchting en verspreiding | Uitlegfilm

In deze video leer je hoe bestuiving, bevruchting en verspreiding bij planten plaatsvinden. Deze drie processen volgen elkaar op: eerst vindt bestuiving plaats, daarna bevruchting, en uiteindelijk worden de zaden verspreid zodat de plant zich kan voortplanten.

Bij bestuiving komt stuifmeel van een meeldraad terecht op de stempel van een bloem van dezelfde plantensoort. Komt het stuifmeel van een bloem op een bloem van een andere soort, dan is er geen bestuiving. Een appelboom kan bijvoorbeeld geen perenboom bestuiven.

Er zijn twee vormen van bestuiving. Bij zelfbestuiving komt het stuifmeel van een bloem terecht op de stempel van diezelfde bloem of van een andere bloem van dezelfde plant. Bij kruisbestuiving wordt het stuifmeel overgebracht naar een bloem van een andere plant van dezelfde soort.

Stuifmeel kan op twee manieren worden verspreid: door insecten of door de wind. Insectenbloemen lokken insecten met hun geur, kleur en nectar. Wanneer insecten langs de meeldraden en de stempel schuren, nemen ze stuifmeel mee en brengen dat over naar andere bloemen. Het stuifmeel is vaak kleverig, zodat het goed blijft plakken. Deze methode kost de plant energie, maar zorgt voor een nauwkeurige overdracht.

Windbloemen zien er heel anders uit. Ze zijn meestal klein en onopvallend, zonder geur of kleur. De helmknoppen en stempels steken buiten de bloem, zodat de wind het stuifmeel gemakkelijk kan meenemen. Windbloemen produceren veel stuifmeel, omdat slechts een klein deel op de juiste plek terechtkomt. Mensen met hooikoorts reageren vaak op het stuifmeel van windbloemen.

Na de bestuiving volgt de bevruchting. Een stuifmeelkorrel die op de stempel terechtkomt, laat een stuifmeelbuis groeien door de stijl naar het vruchtbeginsel. De kern van de stuifmeelkorrel versmelt met een eicel in een zaadbeginsel. Op dat moment is de bevruchting voltooid. Uit het vruchtbeginsel ontstaat dan de vrucht, en uit het zaadbeginsel het zaadje.

Het aantal bevruchte eicellen bepaalt hoeveel zaden er in een vrucht ontstaan. Zo heeft een appel meerdere pitjes, terwijl een avocado er maar één heeft. Elke pit of zaadje is dus het resultaat van een bevruchte eicel.

Tot slot moeten de zaden worden verspreid. Planten doen dit op verschillende manieren. Sommige, zoals de paardenbloem, gebruiken de wind: de lichte zaadjes zweven als parachuutjes door de lucht. Andere planten, zoals kleefkruid, verspreiden hun zaden via dieren: de zaden blijven aan hun vacht hangen. Dieren kunnen zaden ook verspreiden door vruchten te eten; de pitjes verlaten later hun lichaam via de ontlasting.

Er zijn ook planten die hun zaden zelf wegschieten, zoals de ooievaarsbek. Wanneer de zaden rijp zijn, schieten ze met kracht uit de vrucht, zodat ze verder van de moederplant terechtkomen. Dit voorkomt dat alle nieuwe planten op één plek groeien en elkaar beconcurreren.

Door deze verschillende manieren van bestuiving, bevruchting en verspreiding kunnen planten zich succesvol voortplanten en verspreiden over grote gebieden.