9.2 Stengels en wortels | Uitlegfilm

In deze uitlegvideo over stengels en wortels leer je hoe er in planten transport plaatsvindt van water en andere stoffen. Ook ontdek je het verschil tussen houtachtige en kruidachtige planten.

Een plant bestaat uit verschillende onderdelen die samenwerken. In eerdere video's heb je gezien dat in bladeren onder andere fotosynthese plaatsvindt en dat er vocht verdampt. Die verdamping zorgt ervoor dat er water van onderaf wordt aangezogen. Verdamping is dus essentieel voor de waterstroom door de plant.

De stengel verbindt de wortels met de bladeren. De wortels nemen water en mineralen op uit de bodem en zorgen dat de plant stevig in de grond staat. Die mineralen zijn belangrijk voor fotosynthese en de vorming van andere stoffen in de plant.

Aan de wortels zitten kleine vertakkingen met wortelharen. Deze dunne haartjes vergroten het oppervlak, zodat de plant veel water en mineralen kan opnemen.

Bij het opnemen van water ontstaat worteldruk. Dat is de druk waarmee water uit de wortels omhoog wordt gestuwd. Hierdoor wordt het water door de plant omhoog geduwd richting de stengel en de bladeren.

In de stengel bevinden zich vaten die zorgen voor het transport van water en opgeloste stoffen. Als je goed kijkt, zie je dat de stengel vol zit met kleine kanaaltjes waar vloeistof doorheen stroomt. Bij grote bomen kun je met een stethoscoop zelfs de sapstroom horen.

Er zijn twee soorten vaten in de plant. De eerste soort vervoert water en mineralen omhoog van de wortels naar de bladeren. De tweede soort vervoert suikers omlaag van de bladeren naar andere delen van de plant. In de bladeren wordt namelijk glucose gemaakt door fotosynthese, en die suikers worden onder meer in de wortels opgeslagen als reservestof.

Onder de microscoop zijn de vaatbundels goed te zien: groepjes vaten van verschillende grootte en vorm. In de stengel komen twee typen voor: houtvaten en bastvaten.

Houtvaten vervoeren water en mineralen omhoog – denk aan de H van “hoog”. Bastvaten vervoeren suikers en andere stoffen omlaag – de B van “beneden”.

Planten kunnen stevig zijn op twee manieren. Houtachtige planten, zoals bomen, bevatten veel houtstof. Daardoor blijven ze stevig, ook als er tijdelijk geen water is. Kruidachtige planten hebben weinig houtstof en krijgen stevigheid doordat hun cellen vol water zitten. Als ze te weinig water hebben, verliezen ze spanning en gaan slap hangen – zoals bij een verwelkte bloem.

Zo zie je het verschil tussen houtachtige en kruidachtige planten. Succes met leren!