9.2 Stengels en wortels Samenvatting

Transport door vaten

Stengels zorgen voor stevigheid en transport. In de stengel liggen vaatbundels, die bestaan uit houtvaten en bastvaten.

Houtvaten vervoeren water en mineralen van de wortels naar de bladeren, bloemen en knoppen. Deze buisjes zijn opgebouwd uit dode cellen met stevige wanden van cellulose en houtstof.

Bastvaten vervoeren vooral water en suikers van de bladeren naar andere delen van de plant. Deze bestaan uit levende cellen met openingen in de dwarswanden.

  • In stengels: houtvaten aan de binnenkant, bastvaten aan de buitenkant.
  • In bladeren: houtvaten aan de bovenzijde, bastvaten aan de onderzijde.
  • In stammen: houtvaten binnenin, bastvaten in de bast (buitenkant).

Stevigheid door cellen en vezels

Planten krijgen stevigheid door vocht in cellen of door stevige celwanden. Kruidachtige planten blijven rechtop door waterdruk in hun vacuolen. Bij droogte verslappen ze snel.

Houtachtige planten, zoals bomen en struiken, zijn stevig door houtstof in de wanden van houtcellen en vezels. Deze vezels liggen vaak rondom de vaatbundels en zijn nog steviger dan houtcellen. De stevigheid is dan niet afhankelijk van water.

Functies van wortels

Wortels verankeren de plant in de bodem, nemen water en mineralen op, en kunnen reservestoffen opslaan.

De opname gebeurt via wortelharen, kleine uitstulpingen van opperhuidcellen. Deze nemen water op via hun celwanden, waarna het via de houtvaten verder de plant in gaat.

Watertransport in planten

Het water stijgt door houtvaten van wortels naar bladeren, vooral dankzij verdamping in de bladeren (zuiging van bladeren). Deze verdamping werkt als een soort rietje: elk deel van de plant vult het vorige aan.

Ook worteldruk helpt een beetje mee: de wortels persen water omhoog. Het grootste deel van het water verdampt uiteindelijk; een klein deel wordt gebruikt bij de fotosynthese. De mineralen blijven in de bladeren en worden gebruikt om stoffen voor de plant te maken.

Woordenlijst

  • Bastvaten: Lange buisjes van levende cellen die water en suikers van de bladeren naar de rest van de plant vervoeren.
  • Cellulose: Stof in de celwanden van planten die zorgt voor stevigheid.
  • Houtachtige planten: Planten die hun stevigheid vooral krijgen door houtstof in de stengels.
  • Houtstof: Stof in de celwanden van houtvaten en vezels die extra stevigheid geeft.
  • Houtvaten: Dode buisjes die water en mineralen van de wortels naar de bladeren vervoeren.
  • Kruidachtige planten: Planten die stevig blijven door waterdruk in de vacuolen van hun cellen.
  • Vaatbundels: Groepen buisjes (houtvaten en bastvaten) in planten die zorgen voor transport.
  • Worteldruk: De kracht waarmee wortels water omhoog persen in de houtvaten.
  • Wortelharen: Uitstulpingen van opperhuidcellen van wortels die water en mineralen opnemen.