6.4 Biologisch evenwicht

In dit hoofdstuk leer je over ecologie en hoe organismen met elkaar en hun omgeving samenhangen. Ecologie bestudeert namelijk de relatie tussen organismen en de omgeving waarin ze leven. Daarbij kijk je niet alleen naar levende wezens, maar ook naar factoren zoals licht, temperatuur en neerslag.

Organismen hebben onderling invloed op elkaar. Een rups eet bijvoorbeeld bladeren van een boom en beïnvloedt daarmee de plant. Tegelijkertijd kan een vogel de rups opeten. Daardoor heeft ook de vogel invloed op de rups. Bovendien beïnvloeden abiotische factoren, zoals het weer, hoe organismen zich gedragen. Bij regen schuilen vogels, terwijl droogte ervoor kan zorgen dat planten minder goed groeien.

Ecologie is dus een groot en complex geheel. Daarom gebruiken we vaak vereenvoudigde modellen om dit beter te begrijpen, zoals een voedselketen en een voedselweb.

Voedselketen en energiestromen

Een voedselketen is een reeks organismen die voor hun voedsel van elkaar afhankelijk zijn. Elk organisme heeft energie nodig om te leven. Die energie krijgen de meeste organismen door andere organismen te eten.

Een voedselketen begint altijd met een producent. Dit zijn planten met bladgroenkorrels die via fotosynthese zelf voedsel maken. Ze gebruiken zonlicht om glucose te produceren. Deze glucose bevat veel energie.

Vervolgens wordt de plant gegeten door een consument, zoals een rups. Daarna kan de rups weer worden gegeten door een vogel, en die vogel eventueel door een roofdier. De pijlen in een voedselketen betekenen altijd: wordt gegeten door.

De energie stroomt dus van de zon naar de plant en vervolgens via verschillende organismen door de voedselketen. Daardoor zijn alle dieren indirect afhankelijk van producenten. Zonder planten zou er geen energiebron zijn voor de rest van het ecosysteem.

Voedselweb en samenhang

In werkelijkheid bestaan er niet alleen losse voedselketens, maar een voedselweb. Dit is een schematische weergave van alle voedselrelaties in een gebied. Een organisme heeft vaak meerdere voedselbronnen en kan ook door verschillende dieren worden gegeten.

Zo kan een rups bijvoorbeeld gegeten worden door meerdere vogelsoorten. Ook eet een dier vaak verschillende soorten voedsel. Hierdoor ontstaat een netwerk van relaties. Een voedselketen is dus eigenlijk een onderdeel van een groter voedselweb.

Belangrijk is dat een voedselweb altijd begint met een producent. Ontbreekt die, dan klopt het voedselweb niet. Daarnaast moet je kunnen herkennen dat organismen onderling afhankelijk zijn voor hun energievoorziening.

Fotosynthese en verbranding

Fotosynthese en verbranding spelen een centrale rol in voedselketens en voedselwebben. Tijdens fotosynthese maken planten met behulp van zonlicht, water en koolstofdioxide glucose en zuurstof. Deze glucose bevat energie die afkomstig is van de zon.

Vervolgens gebruiken organismen deze glucose bij de verbranding. Daarbij wordt glucose met zuurstof omgezet in koolstofdioxide en water. Hierbij komt energie vrij die nodig is voor beweging, groei en voortplanting.

De energie die planten vastleggen, wordt dus doorgegeven aan alle volgende schakels in de voedselketen. Daarom zijn fotosynthese en verbranding essentieel voor het leven op aarde.

Producenten, consumenten en reducenten

In een ecosysteem onderscheiden we drie belangrijke groepen organismen. Producenten zijn planten die zelf energierijke stoffen maken via fotosynthese.

Consumenten zijn organismen die andere organismen eten. Dit kunnen planteneters, vleeseters of alleseters zijn. Zij zijn afhankelijk van producenten of andere consumenten voor hun energie.

Daarnaast zijn er reducenten, zoals bacteriën en schimmels. Zij breken dode resten van organismen af, zoals bladeren, uitwerpselen en dode dieren. Hierdoor komen voedingsstoffen vrij die planten opnieuw kunnen gebruiken.

Zo ontstaat er een kringloop van stoffen en energie. Producenten leveren energie, consumenten gebruiken die energie en reducenten zorgen ervoor dat voedingsstoffen weer beschikbaar komen. Dit geheel vormt de basis van het biologisch evenwicht in een ecosysteem.