6.4 Biologisch evenwicht Samenvatting
Invloeden op organismen
Het leven van organismen wordt altijd beïnvloed door hun omgeving. Deze invloeden noem je factoren.
Je kunt ze verdelen in biotische factoren en abiotische factoren.
Biotische factoren komen uit de levende natuur, zoals voedsel, roofdieren en soortgenoten.
Abiotische factoren komen uit de levenloze natuur, zoals temperatuur, licht en water.
Samen bepalen deze factoren of een organisme goed kan leven en zich kan voortplanten. Zijn de omstandigheden gunstig, dan gaat het goed met een soort. Zijn ze ongunstig, dan kan een soort afnemen of zelfs verdwijnen.
Niveaus van de ecologie
In de ecologie kijk je naar verschillende organisatieniveaus. Het begint klein en wordt steeds groter:
- Een individu is één enkel organisme.
- Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort in een gebied.
- Een levensgemeenschap bestaat uit alle populaties samen.
- Een ecosysteem is het geheel van alle organismen én de abiotische factoren.
Al deze niveaus hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar voortdurend.
Biologisch evenwicht en populaties
In een ecosysteem blijft de grootte van een populatie meestal niet constant. Toch schommelt deze vaak rond een bepaalde waarde. Dit noem je biologisch evenwicht. De grootte van een populatie hangt af van:
- hoeveel voedsel er is
- het aantal vijanden
- ziektes
- abiotische factoren zoals temperatuur en weer
Als de omstandigheden goed zijn, groeit een populatie. Zijn ze slecht, dan neemt de populatie af. Zo ontstaat er een evenwicht in het ecosysteem.
Optimum en optimumkromme
Voor elke soort zijn er optimale omstandigheden waarin ze het beste kunnen leven en zich voortplanten. Dit optimum kun je weergeven in een optimumkromme. In zo’n diagram zie je:
- de minimumwaarde (te weinig → organismen sterven)
- de optimumwaarde (beste omstandigheden)
- de maximumwaarde (te veel → organismen sterven)
Tussen het minimum en maximum ligt het tolerantiegebied: daar kan een soort overleven. Buiten dit gebied niet.
Woordenlijst
- Abiotische factoren: Invloeden uit de levenloze natuur, bijv. temperatuur, neerslag.
- Biologisch evenwicht: Toestand waarin de grootte van elke populatie in een ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde.
- Biotische factoren: Invloeden uit de levende natuur, bijv. voedsel, roofdieren.
- Ecosysteem: Gebied met alle abiotische factoren en populaties die er leven.
- Individu: Eén enkel organisme.
- Levensgemeenschap: Alle populaties in een bepaald leefgebied.
- Optimumkromme: Diagram dat voor een abiotische factor de minimale, de optimale en de maximale waarde van een soort laat zien.
- Populatie: Groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 6.4 .