5.5 Geschiedenis van het leven op aarde | Uitlegfilm
In deze uitleg van basisstof 5 leer je over de geschiedenis van het leven op aarde. Je kunt uitleggen hoe fossielen ontstaan en dat soorten verwant zijn als ze een gemeenschappelijke voorouder hebben.
Fossielen en evolutie
Fossielen zijn versteende resten of afdrukken van dode organismen. Ze ontstaan wanneer een dier of plant na de dood snel wordt bedekt door een laag sediment. De zachte delen vergaan, maar harde delen zoals botten of tanden verstenen in de loop van duizenden of miljoenen jaren. Als zulke resten worden gevonden, vertellen ze veel over organismen die vroeger leefden.
Fossielen helpen ons evolutie te begrijpen. Door fossielen te vergelijken met huidige soorten zien we overeenkomsten en verschillen. Zo kunnen we verwantschap vaststellen en bepalen hoe soorten zich ontwikkeld hebben.
Rudimentaire organen
Ook rudimentaire organen vormen een bewijs voor evolutie. Dat zijn organen die onze voorouders gebruikten, maar die nu geen functie meer hebben. Voorbeelden zijn kippenvel (een overblijfsel van spieren die bij dieren met een vacht helpen warmte vast te houden), verstandskiezen (vroeger nodig voor taai voedsel) en het stuitje. Bij de walvis bevinden zich zelfs resten van een bekken, een teken dat zijn voorouders poten hadden.
Bouw en verwantschap
De basisbouw van gewervelde dieren toont verwantschap. Mensen, honden, katten, walvissen en vleermuizen hebben allemaal dezelfde botstructuren, zoals een bovenarm, ellepijp, spaakbeen en schouderblad. De vorm verschilt per soort, afhankelijk van de functie.
Niet alle overeenkomsten wijzen op een gemeenschappelijke oorsprong. Vleugels van een vleermuis en een vlinder lijken qua functie op elkaar, maar zijn anders gebouwd. Zulke overeenkomsten zijn het resultaat van convergente evolutie — verschillende soorten die vergelijkbare aanpassingen ontwikkelen.
Embryonale ontwikkeling
De ontwikkeling van embryo’s laat ook verwantschap zien. In een vroeg stadium lijken embryo’s van vissen, vogels, reptielen en mensen sterk op elkaar. Dat duidt op een gemeenschappelijke voorouder. Kleine verschillen in DNA zorgen er uiteindelijk voor dat ze uitgroeien tot verschillende soorten.
De geologische tijdschaal
De geologische tijdschaal is een tijdlijn die de geschiedenis van de aarde en het leven weergeeft. De aarde ontstond ongeveer 4,6 miljard jaar geleden. De eerste eenvoudige levensvormen verschenen rond 3,8 miljard jaar geleden, gevolgd door bacteriën. Toen zuurstof in de atmosfeer kwam, konden meercellige organismen en later dieren ontstaan. De mens verscheen pas heel laat in de geschiedenis.
Belangrijke perioden zijn het Devoon (eerste landplanten en amfibieën), het Carboon (grote insecten en reptielen), en het Trias, Jura en Krijt — de tijd van de dinosauriërs. De inslag van een meteoriet maakte een einde aan veel soorten, waarna nieuwe groepen zich ontwikkelden.
In het Tertiair ontstonden nieuwe, kleinere diersoorten. In het Kwartair, ongeveer drie miljoen jaar geleden, verschenen de eerste mensachtigen.
Verwantschap tussen soorten
Een stamboom laat zien hoe soorten met elkaar verwant zijn. Hoe dichter twee takken bij elkaar liggen, hoe recenter hun gemeenschappelijke voorouder is. De mens en de chimpansee hebben bijvoorbeeld een verre, maar gedeelde voorouder.
Ook bij de mens vinden we rudimentaire kenmerken, zoals de blinde darm en een pees in de onderarm die verwijst naar klimmende voorouders. Bij walvissen en slangen komen nog resten van botten voor die ooit poten waren. Al deze kenmerken zijn getuigenissen van evolutie.
Samenvatting
De belangrijkste begrippen van deze basisstof zijn: fossiel, verwantschap, geologische tijdschaal, sediment en rudimentair orgaan. Fossielen en lichaamskenmerken tonen aan dat alle levende wezens, hoe verschillend ook, uiteindelijk verwant zijn via een gemeenschappelijke voorouder.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 5.5
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 5.5
.