5.4 Het zenuwstelsel | Uitlegfilm
In deze video leer je hoe impulsen zich door het zenuwstelsel verplaatsen en uit welke onderdelen een zenuwcel bestaat.
We beginnen met twee begrippen: prikkel en impuls. Een prikkel is een signaal uit je omgeving waarvoor een zintuig gevoelig is. Elk zintuig reageert op een eigen soort prikkel: je tong op smaak, je oren op geluid, en je ogen op licht.
Wanneer een zintuig een prikkel opvangt, ontstaan er elektrische signaaltjes. Die noem je impulsen. Zo zorgen lichtprikkels op je netvlies voor impulsen die via de zenuwen naar je hersenen worden gestuurd. Vanuit de hersenen kunnen ook impulsen teruggaan naar de rest van je lichaam.
Het zenuwstelsel bestaat uit een uitgebreid netwerk van zenuwcellen die met elkaar verbonden zijn. Deze cellen geven impulsen snel en nauwkeurig door. Als je iets aanraakt, ontstaan impulsen in je huid die via zenuwen naar je ruggenmerg en vervolgens naar je hersenen gaan.
Het ruggenmerg loopt door je rug en wordt beschermd door de wervels. Het is een belangrijk onderdeel van het zenuwstelsel, omdat hier alle zenuwen samenkomen. Signalen worden vanuit het ruggenmerg naar de hersenen gestuurd en omgekeerd, bijvoorbeeld als de hersenen je spieren aansturen.
Het is dus essentieel dat je ruggenmerg goed beschermd blijft, want het speelt een centrale rol bij alles wat je voelt en doet.
Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam met een celkern en meerdere uitlopers. Die uitlopers ontvangen en geleiden signalen. Vaak heeft een zenuwcel één lange, dikke uitloper — de axon — waarmee signalen over grotere afstanden worden vervoerd, bijvoorbeeld van het ruggenmerg naar een spier.
Er zijn verschillende soorten zenuwcellen, elk met een eigen functie. Sommige ontvangen prikkels vanuit zintuigen, andere geven signalen door binnen het zenuwstelsel, en weer andere sturen spieren aan. Hun vorm verschilt, maar het principe blijft gelijk: impulsen worden ontvangen en doorgestuurd naar een andere zenuwcel, spier of hersenen.
Een zenuw bestaat uit veel zenuwcellen bij elkaar. In een doorsnede zie je kleine rondjes: dat zijn de uitlopers van de cellen. Omdat je lichaam voortdurend veel signalen tegelijk moet verwerken, zijn er enorm veel zenuwen nodig.
De ruggenmergzenuwen lopen tussen de wervels door en liggen goed beschermd. Ze verbinden de hersenen met de rest van het lichaam, zodat impulsen heen en weer kunnen gaan.
Wanneer jij iets waarneemt, kun je daar bewust op reageren. Ruik je bijvoorbeeld iets lekkers, dan vangen je reukzintuigen de prikkel op. De impulsen gaan naar je hersenen, waar je de geur waarneemt. Vervolgens besluit je bewust om te gaan kijken wat er wordt gekookt — dat is een bewuste reactie.
Er zijn ook onbewuste reacties, de zogenaamde reflexen. Een reflex is een snelle, vaste en automatische reactie op een prikkel, bedoeld om je lichaam te beschermen.
Bijvoorbeeld: als je per ongeluk iets heets aanraakt, trek je direct je hand terug voordat je pijn voelt. De zintuigcellen in je hand sturen impulsen naar je ruggenmerg, waar meteen een signaal teruggaat naar je spieren om los te laten. De hersenen worden pas daarna geïnformeerd — dan pas ervaar je pijn.
Reflexen zorgen ervoor dat je snel reageert zonder na te denken. Ze beschermen je tegen schade.
Samenvatting: Het zenuwstelsel bestaat uit een netwerk van zenuwcellen die impulsen ontvangen, doorgeven en verwerken. Hersenen en ruggenmerg vormen samen het centrale zenuwstelsel. Impulsen kunnen bewust of onbewust worden verwerkt: bij een bewuste reactie denk je na over je handeling, bij een reflex reageer je automatisch.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 5.4
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 5.4
.