4.3 Bacteriën en schimmels Samenvatting

Wat zijn bacteriën en schimmels?

Schema van voortplanting bij schimmels met celdeling en knopvorming bij gist en sporen bij meercellige schimmels zoals paddenstoelen Bacteriën en schimmels zijn micro-organismen: piepkleine levende wezens die je alleen onder een microscoop kunt zien. Bacteriën zijn altijd eencellig, terwijl schimmels eencellig of meercellig kunnen zijn. Gisten zijn bijvoorbeeld eencellige schimmels, en meercellige schimmels bestaan uit schimmeldraden. Beide groepen kunnen zich snel voortplanten. Bacteriën doen dit door deling, gisten ook, maar dan via knopvorming. Meercellige schimmels maken vaak sporen aan, bijvoorbeeld in paddenstoelen.

Nuttige micro-organismen

Veel bacteriën en schimmels zijn heel nuttig. In de natuur zijn ze reducenten: ze breken dode resten van planten en dieren af. Daardoor komen er weer voedingsstoffen in de bodem. Ook gebruiken we ze bij het maken van eten. Denk aan:

  • Bacteriën voor yoghurt en zuurkool.
  • Gist voor brood, bier en wijn.
  • Schimmels voor schimmelkaas.

Bacteriën worden ook gebruikt voor het maken van antibiotica, zoals penicilline (dat juist weer uit een schimmel komt), en voor het maken van insuline of de zoetstof aspartaam. Zelfs in wasmiddel zitten enzymen die bacteriën gemaakt hebben.

Bacteriën op bedorven voedsel met zichtbare schimmel en rotting door bacteriële groei op organisch materiaal

Schadelijke bacteriën en schimmels

Niet alle bacteriën en schimmels zijn nuttig. Sommige veroorzaken voedselbederf. Ze leven op eten zoals brood, vlees of fruit en maken het ongeschikt om nog te eten. Andere zijn ziekteverwekkers. Ze kunnen een infectie veroorzaken, zoals longontsteking of zwemmerseczeem. Gelukkig kun je bacteriële infecties behandelen met antibiotica en schimmelinfecties met antimycotica. Door goede hygiëne – bijvoorbeeld handen wassen en voedsel goed verhitten – kun je veel infecties voorkomen.

Woordenlijst

  • Antibiotica: Geneesmiddelen die bacteriën doden.
  • Paddenstoelen: Vruchtlichamen van een meercellige schimmel waarin sporen worden gevormd.
  • Reducenten: Bacteriën en schimmels die resten van dode organismen afbreken.
  • Schimmeldraden: Lange, dunne draden waaruit meercellige schimmels bestaan.
  • Sporen: Cellen waaruit een nieuwe schimmel kan ontstaan.
  • Voedselbederf: Situatie waarin eten ongeschikt wordt om te eten doordat bacteriën of schimmels erop groeien.
  • Ziekteverwekkers: Organismen die een infectie kunnen veroorzaken bij planten, dieren of mensen.