4.2 Organismen ordenen Samenvatting
Organismen indelen: twee hoofdgroepen
Alle organismen op aarde kun je grofweg indelen in twee hoofdgroepen: de prokaryoten en de eukaryoten. Het belangrijkste verschil zit in de celbouw. Prokaryoten hebben géén celkern en bestaan altijd uit maar één cel: ze zijn dus eencellig. Een bekend voorbeeld hiervan zijn bacteriën. Eukaryoten hebben wél een celkern en kunnen zowel eencellig als meercellig zijn. Denk aan schimmels, planten en dieren.
Kenmerken van cellen
Bij het ordenen van organismen kijken biologen naar de celkenmerken. Er zijn vijf belangrijke verschillen tussen cellen:
- het aantal cellen: eencellig of meercellig
- de aanwezigheid van een celkern
- de aanwezigheid van een celwand
- de aanwezigheid van bladgroenkorrels
- de relatieve grootte van de cel
Vier rijken van organismen
Organismen worden verder ingedeeld in vier grote rijken: bacteriën, schimmels, planten en dieren. Elk rijk heeft zijn eigen celkenmerken:
- Bacteriën: eencellig, geen celkern, wel celwand, klein van stuk
- Schimmels: eencellig of meercellig, wel celkern en celwand, geen bladgroenkorrels
- Planten: eencellig of meercellig, celkern, celwand én bladgroenkorrels
- Dieren: eencellig of meercellig, celkern, géén celwand of bladgroenkorrels
Voorbeelden van eencellige eukaryoten
Niet alle eukaryoten zijn meercellig. Er zijn ook eencellige eukaryoten, zoals gist (schimmel), boomalg (plant) en het pantoffeldiertje (dier).
Van hoofdgroep tot soort
Na de indeling in hoofdgroepen en rijken, kun je organismen verder ordenen in steeds kleinere groepen. De volgorde van indeling is:
- rijk
- stam
- klasse
- orde
- familie
- geslacht
- soort
Zo ontstaan groepen met organismen die steeds meer op elkaar lijken.
Woordenlijst
- Eencellig: Organisme dat uit één cel bestaat.
- Meercellig: Organisme dat uit meerdere cellen bestaat.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 4.2 .