4.1 Het skelet | Uitlegfilm
In dit thema, stevigheid en beweging, leer je over het skelet. We bekijken de verschillende typen skeletten, de opbouw van het menselijke skelet en de delen van de wervelkolom.
Soorten skeletten
Dieren kunnen een inwendig skelet hebben, zoals mensen en dolfijnen. Dat skelet zit aan de binnenkant en is van buiten niet zichtbaar.
Andere dieren, zoals krabben en insecten, hebben een uitwendig skelet. Dat is een hard pantser aan de buitenkant dat bescherming en stevigheid geeft. Er zijn ook dieren, zoals kwallen, die geen skelet hebben.
Het menselijke skelet
Het skelet van de mens bestaat uit vele botten die samen stevigheid en bescherming bieden. We bekijken ze van boven naar beneden.
De schedel bestaat uit de bovenkaak en onderkaak en rust op de wervelkolom. Aan beide kanten liggen de sleutelbeenderen, die je aan de voorkant kunt voelen. Een gebroken sleutelbeen kan niet in het gips en moet vooral rust krijgen om te genezen.
Aan de achterkant van de schouders liggen de schouderbladen. Samen met het opperarmbeen vormen ze de schoudergordel. In het midden van de borst bevindt zich het borstbeen, waaraan de ribben vastzitten. Aan de voorkant is wat kraakbeen aanwezig zodat de ribben licht kunnen buigen.
De wervelkolom loopt langs de achterkant van het lichaam. In de arm zit bovenaan het opperarmbeen en daaronder de onderarm, die bestaat uit het spaakbeen en de ellepijp. Een handig ezelsbruggetje: je pink zit aan de kant van de ellepijp.
De hand bestaat uit vele kleine botjes: handwortelbeentjes, middenhandsbeentjes en vingerkootjes.
Onderaan rust de wervelkolom op het heiligbeen. Aan de zijkanten daarvan liggen de heupbeenderen; samen vormen ze de bekkengordel. Het dijbeen is het bot in het bovenbeen en zit met een kogelgewricht vast aan de heup. De knieschijf ligt aan de voorkant van de knie, daaronder het scheenbeen en daarachter het kuitbeen.
De voet is via de voetwortelbeentjes verbonden met het onderbeen. Daarachter liggen de middenvoetsbeentjes en de teenkootjes.
De wervelkolom
De wervelkolom bestaat uit nekwervels, rugwervels, lendenwervels en onderaan het heiligbeen. Tussen de wervels zitten kraakbeenschijfjes die beweging mogelijk maken en schokken opvangen. De dubbele S-vorm van de wervelkolom helpt om die schokken goed te verdelen.
Bij het tillen is het belangrijk de rug recht te houden en door de knieën te buigen, om schade aan de kraakbeenschijfjes te voorkomen. De wervelkolom is bovendien belangrijk omdat er het ruggenmerg doorheen loopt – de verbinding tussen hersenen en lichaam.
Functies van het skelet
Het skelet heeft vier hoofdfuncties: het maakt bewegen mogelijk, het beschermt organen, het zorgt voor stevigheid en het geeft vorm aan het lichaam.
Beweging ontstaat door samenwerking tussen skelet en spieren. Pezen verbinden spieren aan botten, bijvoorbeeld bij de schouderbladen. Platte botten bieden extra oppervlak voor spieraanshechting.
Het skelet beschermt vitale organen: de hersenen in de schedel, het hart en de longen in de ribbenkast, en het ruggenmerg in de wervelkolom. Daarnaast geeft het skelet vorm aan het lichaam. Bij ouderdom worden botten harder, en het skelet bepaalt mede hoe iemand eruitziet.
Dit was de uitleg over het skelet. Succes met leren!
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 4.1
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 4.1
.