3.6 Evolutie | Uitlegfilm
Wat evolutie betekent
Evolutie is de geleidelijke ontwikkeling van het leven op aarde. Daarbij ontstaan in de loop van vele generaties nieuwe soorten. Door evolutie kunnen we verklaren waarom er zoveel verschillende organismen zijn, en waarom sommige soorten inmiddels zijn uitgestorven.
Het proces verloopt langzaam. Toch verandert een populatie voortdurend. Dit gebeurt doordat organismen eigenschappen hebben die van generatie op generatie worden doorgegeven. Daardoor kan een populatie zich stap voor stap aanpassen aan veranderende omstandigheden.
Natuurlijke selectie
Bij natuurlijke selectie overleven vooral de organismen die het best zijn aangepast aan hun omgeving. Zij hebben daardoor meer kans op voortplanting. Vervolgens geven zij hun gunstige eigenschappen door aan hun nakomelingen.
Er zijn drie belangrijke voorwaarden voor natuurlijke selectie. Ten eerste verschillen organismen van dezelfde soort altijd een beetje. Elk individu heeft net andere erfelijke eigenschappen. Daardoor kan het ene organisme beter omgaan met bepaalde omstandigheden dan het andere.
Ten tweede is het leven in de natuur zwaar. Organismen moeten voedsel vinden, vijanden ontwijken en kunnen sterven door kou, hitte of gebrek aan schuilplaatsen. Daardoor overleven alleen de best aangepaste individuen.
Ten derde worden eigenschappen doorgegeven. Bij geslachtelijke voortplanting ontstaat een unieke combinatie van erfelijk materiaal van beide ouders. Zo ontstaat telkens een nieuwe mix aan eigenschappen.
Voorbeeld: zwaluwen met korte vleugels
Een duidelijk voorbeeld is onderzocht bij een populatie zwaluwen die leefde in een gebied waar drukke wegen werden aangelegd. Veel vogels werden aangereden, omdat ze de snelheid van auto’s moeilijk konden inschatten.
Binnen de populatie kwamen zwaluwen voor met langere en met kortere vleugels. De zwaluwen met kortere vleugels konden beter manoeuvreren en wisten daardoor sneller weg te draaien van passerende auto’s. Zij waren beter aangepast en hadden dus meer kans om te overleven.
Doordat deze vogels vaker nakomelingen kregen, nam het aantal zwaluwen met korte vleugels langzaam toe. De populatie veranderde dus, maar er ontstond nog geen nieuwe soort. Wel was de groep beter aangepast aan de nieuwe omgeving.
Isolatie en het ontstaan van nieuwe soorten
Voor het ontstaan van een nieuwe soort is naast natuurlijke selectie ook isolatie nodig. Dat betekent dat groepen organismen van dezelfde soort van elkaar gescheiden raken. Ze kunnen zich dan niet meer onderling voortplanten.
Denk bijvoorbeeld aan een groot meer dat door dalende zeespiegels langzaam wordt afgesloten van de zee. Vissen die eerst vrij konden bewegen tussen beide gebieden, komen in twee gescheiden wateren terecht. Vanaf dat moment kunnen de groepen niet langer met elkaar paren.
Omdat de omstandigheden in beide gebieden langzaam veranderen, past elke groep zich op een andere manier aan. Natuurlijke selectie werkt daardoor per gebied anders. Na duizenden tot miljoenen jaren kunnen de verschillen zo groot worden dat individuen uit beide groepen geen vruchtbare nakomelingen meer kunnen krijgen.
Op dat moment spreek je van twee aparte soorten. De populaties hebben zich ieder op hun eigen manier ontwikkeld. Door het samengaan van natuurlijke selectie en isolatie kunnen zo talloze nieuwe soorten ontstaan.
Samengevat
Evolutie is een langzaam proces waarbij populaties stap voor stap veranderen. Dit gebeurt doordat organismen verschillen, erfelijke eigenschappen doorgeven en voortdurend te maken hebben met selectiedruk. Wanneer natuurlijke selectie samengaat met isolatie, kunnen uiteindelijk nieuwe soorten ontstaan.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 3.6
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 3.6
.