3.5 Variatie in genotypen | Uitlegfilm

In deze uitleg leer je het verschil tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting. Daarna volgt een uitleg over wat een mutatie is en waarom de gevolgen daarvan kunnen verschillen.

Ongeslachtelijke voortplanting

Bij ongeslachtelijke voortplanting spelen geslachtscellen geen rol. Een organisme maakt hierbij nakomelingen zonder partner. Je ziet dit vaak bij planten, bijvoorbeeld bij uien, aardappels en aardbeienplanten. Die planten vormen nieuwe individuen via bollen, knollen of uitlopers.

Ook bij sommige dieren komt ongeslachtelijke voortplanting voor. Een goed voorbeeld is de poliep, een stadium in de levenscyclus van kwallen. Een poliep kan een stukje van zichzelf loslaten. Dat groeit vervolgens uit tot een nieuwe poliep met precies hetzelfde genotype.

Doordat nakomelingen volledig identiek zijn, heeft deze manier van voortplanten voor- en nadelen. Het voordeel is dat er geen partner nodig is. Het nadeel is dat alle nakomelingen dezelfde kwetsbaarheden hebben. Als één kwal bijvoorbeeld slecht tegen warmte kan, dan geldt dat ook voor alle nakomelingen. Bij een temperatuurstijging kunnen ze daardoor allemaal sterven.

Geslachtelijke voortplanting

Bij geslachtelijke voortplanting versmelten een zaadcel en een eicel. Beide cellen bevatten de helft van de chromosomen. Na de bevruchting ontstaat een mix van de erfelijke eigenschappen van beide ouders.

Deze menging zorgt voor variatie in genotypen. Elke nakomeling is net iets anders. Denk bijvoorbeeld aan fruitvliegjes: één ouderpaar kan honderden nakomelingen krijgen die allemaal kleine verschillen hebben.

Deze variatie heeft een groot voordeel. In een veranderende omgeving kunnen sommige nakomelingen beter tegen bepaalde omstandigheden dan andere. Als een groep fruitvliegjes slecht tegen warmte kan, overleeft een deel misschien niet. Toch zijn er altijd individuen die wél goed aangepast zijn en zich kunnen voortplanten.

Een nadeel is dat een organisme een partner nodig heeft om zich voort te planten. Zonder partner ontstaat er geen nakomeling.

Mutaties en hun gevolgen

Een mutatie is een plotselinge verandering in het genotype. Zo’n verandering kan ontstaan tijdens de celdeling, wanneer chromosomen worden gekopieerd. Daarbij kan soms een fout optreden.

Mutaties in lichaamscellen hebben meestal weinig gevolgen. Je lichaam ruimt veel afwijkende cellen zelf op. Bovendien moet een mutatie precies in een gen plaatsvinden dat in die cel ook echt actief is. Een foutje in het DNA van een neuscel heeft bijvoorbeeld geen gevolg voor de werking van de lever.

Een mutatie in een geslachtscel kan wél grote gevolgen hebben. Na de bevruchting delen de cellen zich verder. Daardoor komt dezelfde mutatie in alle cellen van het nieuwe organisme terecht. Als de fout zit in een gen dat belangrijk is voor bijvoorbeeld de lever, dan heeft de mutatie invloed op het hele lichaam.

Het effect van een mutatie hangt dus sterk af van de plek waar die ontstaat. Mutaties in lichaamscellen blijven lokaal. Mutaties in geslachtscellen worden doorgegeven aan alle cellen van het nieuwe organisme.