3.5 Variatie en mutatie Samenvatting

Hoe ontstaat erfelijke variatie?

Elk levend wezen heeft erfelijke eigenschappen. Deze ontstaan uit het genotype, dat je meekrijgt van je ouders. Bij geslachtelijke voortplanting versmelten twee geslachtscellen met elk hun eigen genen. Daardoor is de combinatie van erfelijk materiaal steeds anders. Zo ontstaat er variatie in genotypen – en daardoor ook in fenotypen. Denk bijvoorbeeld aan lieveheersbeestjes met verschillende kleuren of stippen.

Wat is ongeslachtelijke voortplanting?

Bij ongeslachtelijke voortplanting is er maar één ouder. Het nageslacht heeft dan precies hetzelfde genotype als de ouder. Toch kan het uiterlijk verschillen, doordat het milieu invloed heeft op het fenotype. Een voorbeeld is het stekken van een plant: uit één stukje stengel groeit een nieuwe plant met exact hetzelfde erfelijk materiaal.

Wat gebeurt er bij een mutatie?

Soms verandert er iets in het DNA. Dat heet een mutatie. Zo’n verandering kan per toeval ontstaan, bijvoorbeeld bij een celdeling. Maar ook invloeden van buitenaf – zoals uv-straling of sigarettenrook – kunnen het DNA beschadigen. Zulke invloeden noem je mutagene invloeden.

Wat is het effect van een mutatie?

Als een mutatie in een geslachtscel plaatsvindt, kan het worden doorgegeven aan het nageslacht. Een organisme waarbij een veranderd gen te zien is in het uiterlijk, noemen we een mutant. Een bekend voorbeeld is een albino, die geen pigment heeft en dus een heel licht uiterlijk.

Hoe ontstaat kanker?

Niet alle mutaties zijn onschuldig. Soms zorgen ze ervoor dat cellen zich blijven delen, zonder te stoppen. Er ontstaat dan een tumor. Een goedaardige tumor groeit langzaam en blijft op één plek. Maar bij een kwaadaardige tumor is dat anders: die groeit snel en kan andere weefsels binnendringen. Dat noemen we kanker.

Wat zijn uitzaaiingen?

Als kankercellen losraken en via het bloed op andere plekken in het lichaam terechtkomen, kunnen daar nieuwe tumoren ontstaan. Dit heet een uitzaaiing of metastase.

Woordenlijst

  • Mutagene invloeden: Factoren van buiten het lichaam die veranderingen in DNA kunnen veroorzaken.
  • Mutant: Een organisme waarbij een veranderd gen zichtbaar wordt in het uiterlijk.
  • Mutatie: Een plotselinge verandering in het DNA waardoor een gen verandert.
  • Variatie in genotypen: Het ontstaan van verschillende erfelijke eigenschappen doordat geslachtscellen met verschillend erfelijk materiaal versmelten.