3.4 Planten | Uitlegfilm
In deze uitlegvideo over basisstof 4 leer je over het plantenrijk. We onderzoeken uit welke onderdelen plantencellen bestaan en hoe dit rijk is ingedeeld in verschillende stammen.
In de vorige video ging het over het rijk van de dieren. Nu richten we ons op het rijk van de planten. Alle organismen binnen dit rijk hebben een celkern en behoren daarmee tot de eukaryoten, in tegenstelling tot de prokaryoten.
Een plantencel heeft aan de buitenkant een stevige celwand. Daarbinnen ligt het celmembraan met het cytoplasma. Opvallend aan plantencellen zijn de grote vacuole en de bladgroenkorrels. Deze bladgroenkorrels zijn kenmerkend voor planten, want alle planten bevatten ze.
Het plantenrijk is in te delen in drie stammen: de wieren, de mossen en de vaatplanten.
Vaatplanten
Vaatplanten hebben wortels, stengels en bladeren. Binnen deze groep onderscheiden we zaadplanten en sporenplanten.
Zaadplanten planten zich voort met zaden. Omdat zaden ontstaan in bloemen, hebben zaadplanten altijd bloemen. Zie je een plant met bloemen, dan weet je dat het een zaadplant is.
Sporenplanten hebben ook wortels, stengels en bladeren, maar ze hebben geen bloemen. Ze planten zich voort met sporen. Het verschil tussen zaadplanten en sporenplanten zit dus in hun voortplantingswijze.
Wieren
Wieren hebben geen wortels en geen stengels. Ze bestaan uit eenvoudige structuren en kunnen één- of meercellig zijn. Een bekend voorbeeld is zeesla: eencellige plantjes die samen een groter geheel vormen. Wieren leven vooral in het water, maar je ziet ze ook als groene aanslag op stenen, muren of boomstammen.
Hiermee heb je een overzicht van de belangrijkste kenmerken en indeling van het plantenrijk. Succes met het leren en tot de volgende uitleg!
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 3.4
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 3.4
.