3.4 Planten Samenvatting

Indeling van planten

Planten worden ingedeeld op basis van kenmerken zoals het soort bladgroenkorrels, de bouw van de plant en de werking van celorganellen. Twee belangrijke stammen zijn de groenwieren en de vaatplanten.

Vaatplanten

Vaatplanten hebben speciale vaten voor het transport van stoffen. Ze bezitten wortels, stengels en bladeren. De voortplanting gebeurt op twee manieren:

  • Met zaden: bij zaadplanten zoals madeliefjes, struiken en bomen. Deze planten hebben bloemen waarin de zaden ontstaan.
  • Met sporen: bij andere vaatplanten zoals varens en paardenstaarten. Een spore is een cel waaruit een nieuwe plant kan groeien.

Sporenplanten

Sporenplanten zoals mossen, paardenstaarten en varens zonder bloemen of zaden die zich voortplanten met sporen Sporenplanten planten zich voort via sporen in plaats van zaden. Ze hebben soms wortels, stengels en bladeren, maar nooit bloemen. Voorbeelden zijn:

  • Mossen: Kleine plantjes met blaadjes; de sporen groeien in doosjes op steeltjes boven de plantjes.
  • Paardenstaarten: Bestaan uit holle ‘buisjes’; de sporen ontstaan aan het uiteinde van stengels in speciale orgaantjes.
  • Varens: Hebben grote bladeren met kleine blaadjes aan een hoofdnerf. De sporen zitten in hoopjes aan de onderkant van de blaadjes.

Wieren

Wieren, ook wel algen genoemd, groeien meestal in water. Ze hebben geen wortels, stengels, bladeren of bloemen. Ze nemen voedingsstoffen op uit het water. De voortplanting verschilt per soort:

Groenwieren algen zeesla met platte groene bladeren die groeien in ondiep zeewater
  • Sommige wieren gebruiken sporen.
  • Veel eencellige wieren delen zich.

Groenwieren vormen een aparte groep binnen de wieren. Ze kunnen eencellig of meercellig zijn:

  • Eencellig: zoals boomalg, dat groene aanslag op muren en bomen vormt. De voortplanting gebeurt door deling.
  • Meercellig: zoals zeesla, dat in zee groeit en eetbaar is (onder andere in sushi).

Woordenlijst

  • Algen: Groep van eenvoudige organismen die meestal in het water groeien en zelf voedsel maken met licht.
  • Groenwieren: Algen die hun groene kleur krijgen door bladgroen en op landplanten lijken.
  • Sporen: Kleine deeltjes waarmee sommige planten en schimmels zich kunnen verspreiden en een nieuwe plant kunnen vormen.
  • Sporenplanten: Planten die zich voortplanten met behulp van sporen.
  • Vaatplanten: Planten met speciale buisjes die water en voedingsstoffen door de plant vervoeren.
  • Wieren: Eenvoudige planten die vaak in het water leven en geen wortels, stengels of bladeren hebben.
  • Zaadplanten: Planten die zich voortplanten met behulp van zaden.