3.3 Kruisingen | Uitlegfilm

Wat is een kruising?

In deze uitlegfilm leer je hoe je een kruisingstabel maakt en hoe je daarmee een duidelijke verwachting opstelt over het fenotype en het genotype van nakomelingen. Het is belangrijk dat je bij elke kruising dezelfde stappen volgt. Daardoor werk je nauwkeurig en voorkom je fouten, vooral bij opgaven waarin kleine details grote gevolgen hebben.

Een kruising begint altijd bij de ouders. Deze noem je de P-generatie (van Parents). De nakomelingen die daaruit ontstaan vormen de F1-generatie. Kruis je twee organismen uit de F1-generatie opnieuw met elkaar, dan ontstaat de F2-generatie. Door deze generaties goed te noteren zie je precies welke erfelijke eigenschappen worden doorgegeven.

Stap voor stap een kruisingstabel maken

Om een kruisingstabel te vullen noteer je eerst het fenotype en genotype van beide ouders. Vervolgens kijk je welke allelen in de geslachtscellen voorkomen. Een organisme dat homozygoot dominant is, geeft alleen dominante allelen door. Een organisme dat homozygoot recessief is, geeft alleen recessieve allelen door. Bij een heterozygoot individu komt de helft van de geslachtscellen het dominante allel tegen en de andere helft het recessieve allel.

Daarna vul je de kruisingstabel in. Door steeds dezelfde werkwijze te gebruiken zie je snel welke combinaties mogelijk zijn. In het voorbeeld met fruitvliegjes heeft het vrouwtje grote vleugels (AA) en het mannetje kleine vleugels (aa). De F1-nakomelingen krijgen daarom allemaal het genotype Aa en hebben dus grote vleugels. Vervolgens kun je met twee F1-vliegjes een kruising voor de F2 uitvoeren.

Verwachte fenotypes, genotypes en verhoudingen

Uit de F2-kruising ontstaan vier mogelijke combinaties: AA, Aa, Aa en aa. Daardoor verwacht je dat 75% van de nakomelingen grote vleugels heeft en 25% kleine vleugels. Voor het genotype levert dit een verhouding van 1 : 2 : 1 op. Doordat er in de natuur vaak grote aantallen nakomelingen ontstaan, sluiten deze voorspellingen goed aan bij de werkelijkheid.

Let bij opdrachten steeds op het verschil tussen fenotype en genotype. Lees de vraag nauwkeurig, want hierdoor worden veel fouten gemaakt. Door stap voor stap te werken kun je elke kruising helder en betrouwbaar oplossen.