3.3 Dieren | Uitlegfilm
In deze uitlegvideo over basisstof 3: Dieren leer je hoe dierlijke cellen zijn opgebouwd en hoe het dierenrijk wordt ingedeeld in verschillende stammen. Die indeling gebeurt op basis van duidelijke kenmerken.
Het rijk van de dieren behoort tot de eukaryoten, omdat hun cellen een celkern hebben. Een dierlijke cel heeft een celmembraan, cytoplasma en een celkern met een kernmembraan. Dierlijke cellen hebben geen celwand, in tegenstelling tot planten- en schimmelcellen. De eerste indeling van organismen gebeurt dus op basis van celkenmerken.
Binnen het dierenrijk onderscheiden we verschillende stammen. Meestal worden er zes genoemd, afhankelijk van de bron. Belangrijk is dat je weet op welke kenmerken deze indeling is gebaseerd: symmetrie en type skelet.
Symmetrie bij dieren
Symmetrie geeft aan op hoeveel manieren een organisme kan worden gespiegeld. Er zijn drie vormen: tweezijdig symmetrisch, veelzijdig symmetrisch en niet symmetrisch.
Een lieveheersbeestje is tweezijdig symmetrisch: als je een lijn trekt van kop naar achter, ontstaan twee gelijke helften. Een zeester is veelzijdig symmetrisch: vanuit elke arm kun je een lijn trekken door het midden. Sponzen zijn niet symmetrisch; ze zijn op geen enkele manier gelijk te verdelen.
Skelettypen
Dieren kunnen een inwendig skelet, een uitwendig skelet of geen skelet hebben. Mensen hebben een inwendig skelet, krabben een uitwendig skelet en wormen hebben helemaal geen skelet.
Belangrijkste stammen van het dierenrijk
De eerste stam is die van de sponsdieren. Ze zijn niet symmetrisch en hebben vezels tussen de cellen. Vroeger werden echte zeesponzen gebruikt als natuurlijke spons.
Neteldieren zijn veelzijdig symmetrisch, hebben geen skelet, leven in het water en bezitten tentakels met netelcellen om prooien te vangen. Voorbeelden zijn kwallen en poliepen.
Stekelhuidigen hebben een inwendig kalkskelet en zijn veelzijdig symmetrisch. Hun huid is bedekt met knobbels of stekels, zoals bij de zee-egel.
Weekdieren zijn tweezijdig symmetrisch en hebben meestal een uitwendig skelet in de vorm van een schelp. Ze zijn zacht van binnen; voorbeelden zijn slakken, mosselen en inktvisachtigen.
Geleedpotigen hebben een uitwendig skelet en poten met geledingen. Tot deze groep behoren insecten, spinnen en kreeften.
Tot slot zijn er de gewervelden. Deze dieren hebben een inwendig skelet en een wervelkolom. Tot deze groep horen zoogdieren, vogels, vissen, amfibieƫn en reptielen. Ook de mens behoort tot deze stam.
De namen van de stammen geven vaak al een aanwijzing over hun belangrijkste kenmerk. Door daarop te letten, kun je ze gemakkelijker onthouden.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 3.3
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 3.3
.