3.2 Genen | Uitlegfilm

In deze uitleg leer je wat dominante en recessieve allelen zijn. Je ziet hoe genen op chromosomen liggen en hoe ze een erfelijke eigenschap bepalen. Verder ontdek je het verschil tussen homozygoot en heterozygoot. Tot slot komt het intermediair fenotype aan bod.

Genen en allelen

Een gen is een stukje DNA op een chromosoom met informatie voor één erfelijke eigenschap. Een allel is een variant van dat gen. Een organisme ontvangt altijd één allel van de vader en één van de moeder. Daardoor heb je per eigenschap twee allelen.

Bij fruitvliegjes ligt bijvoorbeeld een gen voor vleugellengte op beide chromosomen van een paar. Een vlieg kan twee allelen voor grote vleugels hebben, twee voor kleine vleugels, of een combinatie van beide. Elke combinatie geeft een bepaald uiterlijk, het fenotype.

Dominant en recessief

Een dominant allel is het sterkste allel. Daarom bepaalt het uiterlijk wanneer het samen voorkomt met een recessief allel. Het dominante allel noteer je met een hoofdletter, bijvoorbeeld A. Het recessieve allel noteer je met een kleine letter, zoals a.

Een vlieg met combinatie Aa heeft grote vleugels, omdat het dominante allel overheerst. Alleen wanneer een organisme twee recessieve allelen heeft (aa), zie je de recessieve eigenschap terug in het fenotype.

Homozygoot en heterozygoot

Als beide allelen gelijk zijn, noem je het organisme homozygoot. Dit kan dominant (AA) of recessief (aa) zijn. Wanneer de twee allelen verschillend zijn (Aa), is het organisme heterozygoot.

Deze begrippen heb je nodig om later kruisingstabellen te kunnen maken. Daarom is het belangrijk om goed te weten welke eigenschap dominant is en welke recessief.

Intermediair fenotype

Bij sommige eigenschappen zijn beide allelen even sterk. In dat geval ontstaat een intermediair fenotype. Het uiterlijk is dan een mengvorm van beide allelen.

Een voorbeeld is een bloem met één allel voor rode kroonbladeren en één voor witte kroonbladeren. Omdat beide allelen even sterk zijn, ontstaat een mengkleur, zoals roze kroonbladeren. Je ziet dus kenmerken van beide allelen terug in het fenotype.

Je hebt nu gezien hoe genen, allelen en dominante en recessieve eigenschappen samenwerken. Met deze basis kun je verder oefenen met erfelijkheid en kruisingen.