3.1 Steeds kleinere groepen | Uitlegfilm

Thema 3 gaat over ordening in de biologie. In deze uitlegvideo leer je waarom biologen organismen indelen in groepen, wat ordenen betekent en op basis van welke kenmerken organismen kunnen worden verdeeld in domeinen en rijken.

Wat betekent ordenen?

Ordenen betekent het indelen van organismen in groepen op basis van kenmerken. Er bestaan miljoenen verschillende organismen. Sommige lijken sterk op elkaar, andere juist helemaal niet. Biologen kijken bijvoorbeeld naar de cellen waaruit organismen zijn opgebouwd of naar de bouw van het organisme. Op basis van die kenmerken worden organismen al eeuwenlang in groepen verdeeld – en dat gebeurt nog steeds.

Dat ordenen kost veel tijd, want er zijn enorm veel soorten. Soms lijken organismen zo veel op elkaar dat het moeilijk is om te bepalen bij welke groep ze horen. Toch geeft ordenen overzicht, net als het sorteren van kleding in een kast. In de biologie helpt het om orde aan te brengen in de grote diversiteit aan leven.

Van domeinen naar rijken

Om organismen goed te kunnen indelen, moet je weten wat een organisme is: een levend wezen, opgebouwd uit cellen. Die cellen hebben verschillende onderdelen. Op basis daarvan worden alle organismen verdeeld in twee domeinen: de prokaryoten en de eukaryoten.

Prokaryoten hebben cellen zonder celkern. Eukaryoten hebben cellen mét een celkern. Dat is het eerste grote onderscheid.

Prokaryoten: bacteriën en archaea

Binnen de prokaryoten onderscheiden we twee groepen: de bacteriën en de archaea. Beide zijn eencellig en hebben geen celkern. Bacteriën zijn klein en komen in veel vormen voor. Archaea lijken op bacteriën, maar leven op extreme plekken zoals hete bronnen of giftige plaatsen. Daarom heten ze ook wel extremofielen.

Eukaryoten: planten, dieren en schimmels

Eukaryoten hebben wel een celkern. Deze groep wordt verder verdeeld in verschillende rijken. De belangrijkste zijn de planten, dieren en schimmels.

Planten hebben cellen met een celkern, celwand, celmembraan, cytoplasma, vacuole en bladgroenkorrels. Die bladgroenkorrels zorgen voor de groene kleur en voor fotosynthese. Zie je bladgroenkorrels, dan is het een plantencel.

Dieren hebben cellen zonder bladgroenkorrels en zonder celwand – alleen een celmembraan. Zie je een cel zonder celwand, dan is het een dierlijke cel.

Schimmels lijken een beetje op planten, maar hebben geen bladgroenkorrels. Ze hebben wel een celwand, celmembraan, cytoplasma en vacuole. Zie je dus een cel met een celwand en vacuole maar zonder bladgroenkorrels, dan is het een schimmelcel.

Andere rijken

Daarnaast bestaan nog twee andere rijken: de chromista en de protozoa. Chromista hebben een celkern, een celmembraan en soms bladgroenkorrels, maar geen celwand. Protozoa hebben een celkern en celmembraan, net als dieren, maar worden toch in een aparte groep geplaatst. Deze twee groepen zijn complexer en minder belangrijk om uit je hoofd te leren.

Belangrijke verschillen

Planten: celwand, vacuole en bladgroenkorrels.
Dieren: geen celwand en geen bladgroenkorrels.
Schimmels: celwand en vacuole, maar geen bladgroenkorrels.

De indelingen kunnen veranderen, omdat biologen steeds nieuwe ontdekkingen doen. Toch blijven de drie hoofdgroepen – planten, dieren en schimmels – altijd belangrijk. Zorg dat je deze goed kunt herkennen en dat je het verschil tussen eukaryoten en prokaryoten begrijpt.

Veel succes met oefenen!