3.1 Steeds kleinere groepen | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Wat is een kenmerk van organismen? A. De plaats waar het leeft B. Een eigenschap waarmee je een organisme kunt onderscheiden C. De kleur van het organisme D. Een naam die bij het organisme hoort 2. Wat betekent ordenen bij organismen? A. Organismen tellen in groepen B. Organismen leren herkennen C. Organismen indelen op basis van kenmerken D. Organismen laten samenwerken 3. Welke groep behoort niet tot de eukaryoten? A. Planten B. Schimmels C. Bacteriën D. Dieren 4. Wat is een belangrijk verschil tussen prokaryoten en eukaryoten? A. Eukaryoten hebben een celkern, prokaryoten niet B. Prokaryoten hebben DNA, eukaryoten niet C. Prokaryoten zijn meercellig, eukaryoten niet D. Eukaryoten hebben geen celwand 5. Hoe noemen we de kleinste groep in de indeling van organismen? A. Rijk B. Familie C. Geslacht D. Soort 6. Wat is een celwand? A. Een verdedigingssysteem van een cel B. Een stevige laag om de cel heen C. De plaats waar DNA zit D. De kern van de cel 7. Welke organismen hebben bladgroenkorrels? A. Planten B. Schimmels C. Archaea D. Dieren 8. Wat hoort bij de juiste volgorde van indeling? A. Orde → Klasse → Stam B. Rijk → Stam → Klasse C. Geslacht → Familie → Orde D. Soort → Geslacht → Familie 9. Welke van de volgende organismen hoort bij de prokaryoten? A. Bacteriën B. Schimmels C. Mensen D. Planten 10. Welke celkenmerken hebben planten? A. Celwand en bladgroenkorrels B. Alleen celkern C. Celkern en geen celwand D. Celkern, celwand en bladgroenkorrels 11. Wat is een vertakkingsschema? A. Een beschrijving van een soort B. Een grafiek met data C. Een schematische weergave van indeling D. Een lijst van kenmerken 12. Welke van de volgende groepen bestaat uit meercellige organismen? A. Bacteriën B. Dieren C. Archaea D. Chromista 13. Wat geldt voor archaea? A. Ze horen bij de schimmels B. Ze zijn eencellig en hebben geen celkern C. Ze hebben bladgroenkorrels D. Ze zijn meercellig 14. In welke groep zit de mens? A. Schimmels B. Protozoa C. Dieren D. Planten 15. Waar bevindt zich het DNA in een eukaryote cel? A. In het cytoplasma B. In de celkern C. In de celwand D. In de bladgroenkorrel 16. Hoe worden organismen zonder celkern genoemd? A. Prokaryoten B. Eukaryoten C. Planten D. Dieren 17. Welke celkenmerken hebben dieren? A. Alleen bladgroenkorrels B. Celkern, celwand C. Alleen celkern D. Celwand, bladgroenkorrels 18. Wat hoort er niet bij de celkenmerken? A. Celwand B. Zenuwcel C. Celkern D. Bladgroenkorrel 19. Wat zijn chromista? A. Eukaryotenrijk met eencellige organismen B. Een stam van dieren C. Een soort schimmels D. Een familie van bacteriën 20. Wat hoort bij het rijk van de schimmels? A. Organismen met celwand en zonder bladgroenkorrels B. Organismen met fotosynthese C. Organismen zonder celkern D. Organismen met bladgroenkorrels 21. Welke groep hoort bij de eukaryoten? A. Archaea B. Bacteriën C. Planten D. Geen van allen 22. Wat hebben bacteriën en archaea gemeen? A. Ze hebben geen celkern B. Ze hebben bladgroenkorrels C. Ze zijn meercellig D. Ze zijn planten ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden