2.4 Bevruchting en zwangerschap | Uitlegfilm
De bevruchting
Bij een bevruchting versmelt de kern van een zaadcel met de kern van een eicel. Dit gebeurt in de eileider. In de eierstokken rijpt elke 28 dagen één eicel. Rond dag 14 vindt de ovulatie plaats en komt de eicel in een van de eileiders terecht. De eicel wordt langzaam naar de baarmoeder vervoerd.
Als er rond die tijd geslachtsgemeenschap is geweest, bevinden zich zaadcellen in de vagina. Zij zwemmen via de baarmoeder naar beide eileiders. Zodra een zaadcel bij de eicel aankomt, kan de bevruchting plaatsvinden.
Van bevruchte eicel tot innesteling
Na de bevruchting begint de eicel meteen te delen. Eerst ontstaan twee cellen, daarna vier, acht en zo verder. De hoeveelheid cellen neemt snel toe, maar de totale grootte blijft gelijk. Dit komt doordat het klompje cellen nog geen voedingsstoffen opneemt.
In de baarmoeder is het baarmoederslijmvlies elke cyclus dikker geworden. Het bevat veel bloedvaten en vormt zo een geschikte plek voor de innesteling. Het klompje cellen zet zich vast in het slijmvlies. Vanaf dat moment kan het groeien.
Embryo en foetus
In de eerste twaalf weken heet het ontwikkelende kindje een embryo. In deze fase ontwikkelen bijna alle organen. Aan het eind is het embryo ongeveer 60 gram.
Daarna noemen we het kindje een foetus. Vanaf dat moment vindt vooral groei plaats. Het lichaam wordt groter en de organen rijpen verder. In de weken tot aan de geboorte groeit de foetus door tot ongeveer 3 kilogram.
De placenta, navelstreng en vruchtwater
De placenta en de navelstreng verbinden moeder en kind. Bloed van moeder en kind komt niet met elkaar in direct contact, maar stroomt langs elkaar. Daardoor kunnen zuurstof en voedingsstoffen van de moeder naar het kind worden doorgegeven. Tegelijkertijd raakt het kind afvalstoffen kwijt.
Via de placenta kunnen ook schadelijke stoffen, zoals alcohol of drugs, bij het kind terechtkomen. Daarom moet een zwangere vrouw zorgvuldig letten op wat zij gebruikt.
De foetus ligt in een vruchtwaterzak. Het vruchtwater beschermt tegen schokken, uitdroging en temperatuurschommelingen.
De geboorte
Tijdens de zwangerschap is de baarmoedermond gesloten. Pas bij de bevalling gaat deze langzaam open zodat het kind via de vagina naar buiten kan.
Tweelingen
Er bestaan twee-eiige en eeneiige tweelingen. Bij twee-eiige tweelingen worden twee verschillende eicellen bevrucht door twee zaadcellen. De kinderen kunnen sterk van elkaar verschillen.
Bij eeneiige tweelingen ontstaat uit één bevruchte eicel een klompje cellen dat later in tweeën splitst. De kinderen lijken sterk op elkaar en zijn genetisch gelijk.
Voorbeelden van examenvragen
Bij afbeeldingen van het voortplantingsstelsel moet je organen herkennen, zoals de eierstok. Ook moet je gebeurtenissen kunnen benoemen, zoals ovulatie en innesteling.
Bij vragen over celdeling moet je onderscheid maken tussen mitose en meiose. Zaadcellen en eicellen ontstaan door meiose. De delingen na de bevruchting zijn mitotische delingen, omdat het embryo al een compleet pakket chromosomen heeft.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 2.4
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 2.4
.