2.4 Bevruchting en zwangerschap Samenvatting

Wat gebeurt er bij bevruchting?

Eisprong De bevruchting begint wanneer een zaadcel de eicel bereikt in de eileider. Slechts één zaadcel dringt de eicel binnen, waarna het celmembraan ondoordringbaar wordt voor andere zaadcellen. De kernen van de eicel en zaadcel versmelten dan tot één nieuwe cel. Die eerste cel deelt zich meerdere keren, maar groeit nog niet. Het klompje cellen reist richting de baarmoeder.

Van innesteling tot zwangerschap

Ongeveer een week na de bevruchting vindt de innesteling plaats: het klompje cellen hecht zich vast aan het baarmoederslijmvlies. Vanaf dat moment wordt het een embryo genoemd. Dit embryo produceert het hormoon hCG, waardoor het gele lichaam in stand blijft en er geen menstruatie of nieuwe eisprong plaatsvindt. Een zwangerschapstest kan dit hormoon vanaf een week na de innesteling aantonen.

Hoe ontwikkelt het embryo zich?

Het embryo groeit door celdelingen. Tegelijk ontstaat de placenta, ook wel moederkoek genoemd. Deze zorgt voor de uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen tussen moeder en embryo. Tegelijk voert de placenta ook afvalstoffen af van het embryo naar de moeder. Het embryo is via de navelstreng verbonden met de placenta. Hierin lopen drie bloedvaten: twee slagaders en één ader.

Bescherming van het embryo

Rondom het embryo vormen zich vruchtvliezen, gevuld met vruchtwater. Dit water beschermt het embryo tegen schokken, uitdroging en temperatuurwisselingen. Het embryo kan zich hierin vrij bewegen. Vanaf de derde maand heet het embryo een foetus, omdat de belangrijkste organen dan al zijn aangelegd en beginnen te werken.

Tweelingen: één of twee eicellen

Bij een twee-eiige tweeling worden twee eicellen bevrucht door twee zaadcellen. Ze groeien elk uit tot een eigen embryo. Een eeneiige tweeling ontstaat juist uit één eicel en één zaadcel. Tijdens de eerste celdelingen splitsen de cellen zich op in twee klompjes die elk uitgroeien tot een embryo.

Woordenlijst

  • Bevruchting: Samensmelting van de kern van de eicel en de kern van de zaadcel.
  • Eeneiige tweeling: Ontstaat uit één eicel en één zaadcel.
  • Embryo: Het klompje cellen na de innesteling.
  • Foetus: Het embryo vanaf de derde maand.
  • Innesteling: Het klompje cellen zet zich vast in het baarmoederslijmvlies.
  • Moederkoek: Bestaat uit weefsels van het embryo en van de moeder; zorgt voor uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen.
  • Navelstreng: Vervoert stoffen van en naar het embryo en placenta; bestaat uit weefsel van het embryo.
  • Placenta: Bestaat uit weefsels van het embryo en van de moeder; zorgt voor uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen.
  • Twee-eiige tweeling: Ontstaat uit twee eicellen en twee zaadcellen.
  • Vruchtvliezen: Soort zak waarin het vruchtwater en het embryo zitten.
  • Vruchtwater: Beschermt tegen uitdroging, stoten en temperatuurwisseling.