2.3 Weefsels | Uitlegfilm

Wat zijn weefsels?

Weefsels zijn groepen cellen met dezelfde bouw en functie. Zowel bij planten als bij mensen komen verschillende soorten weefsels voor. Om dat goed te begrijpen, is het belangrijk eerst te weten wat cellen zijn.

Cellen als bouwstenen

Cellen zijn de kleinste bouwstenen van een organisme. Alle organismen bestaan uit cellen, vaak uit miljoenen of zelfs miljarden. Bij de mens zijn er bijvoorbeeld spiercellen, vetcellen, botcellen en kraakbeencellen. Al deze cellen samen vormen het organisme.

Ook planten bestaan uit verschillende soorten cellen. Aan de linkerkant zie je een plantencel en aan de rechterkant een dierlijke cel. In de volgende basisstof leer je meer over de onderdelen en functies van deze cellen.

Groepen cellen vormen weefsels

Wanneer cellen met dezelfde bouw en functie bij elkaar liggen, spreken we van een weefsel. Onder de microscoop kun je dat goed zien: cellen die sterk op elkaar lijken, vormen samen een weefsel.

Bij mensen is dat net zo. Verschillende groepen cellen met dezelfde functie vormen bijvoorbeeld spierweefsel of bindweefsel.

Tussencelstof

Tussen de cellen bevindt zich vaak ruimte. Die ruimte noemen we de tussencelstof. In planten lijkt het alsof de cellen strak tegen elkaar liggen, maar er zit altijd een dun laagje tussencelstof tussen.

Bij mensen is dat duidelijker zichtbaar. Onder de microscoop zie je de cellen als witte bolletjes, met daartussen roze gebieden: dat is de tussencelstof. De samenstelling van die stof bepaalt de eigenschappen van het weefsel.

Een goed voorbeeld is het kraakbeen van je oor. Daar is de tussencelstof soepel en buigzaam, waardoor je je oor kunt bewegen zonder dat het breekt. In botweefsel is de tussencelstof juist hard, waardoor botten stevig zijn. De eigenschappen van een weefsel hangen dus sterk af van de tussencelstof.

Weefsels bij planten

Onder de microscoop kun je bij planten prachtige structuren zien. De onderkant van een blad bestaat uit cellen die op puzzelstukjes lijken. Tussen deze cellen bevinden zich openingen: de huidmondjes.

Een huidmondje bestaat uit twee cellen die samen een opening vormen. Die opening kan open en dicht gaan. Via de huidmondjes verdampt water uit het blad. Deze verdamping zorgt ervoor dat er een waterstroom door de plant blijft lopen, waardoor stoffen worden vervoerd.

Wanneer het droog is, sluit de plant de huidmondjes om waterverlies te voorkomen. Op warme dagen zijn ze dus vaker dicht. Is er genoeg water, dan staan ze verder open zodat de plant beter kan verdampen en stoffen kan transporteren. Zo regelt de plant zelf de waterhuishouding.

Jaarringen en het cambium

Bij houtachtige planten, zoals bomen, zie je jaarringen in de stam. Deze ringen laten zien hoe oud een boom is. Aan de binnenkant van de stam bevindt zich de bast, en elk jaar vormt zich daaronder een nieuwe ring.

De jaarringen ontstaan door een speciaal weefsel: het cambium. Dit weefsel zit net onder de bast en maakt nieuwe cellen aan. In de lente ontstaan lichte cellen, in de zomer donkere cellen. Zo ontstaan lichte en donkere ringen.

In herfst en winter stopt de groei. Dunne ringen wijzen op droge jaren, dikke ringen op vochtige, groeizame jaren. Het cambium is dus verantwoordelijk voor de groei en de jaarringen van een boom.

Samenvatting

Weefsels zijn groepen cellen met dezelfde bouw en functie. De tussencelstof vult de ruimte tussen cellen op en bepaalt de eigenschappen van het weefsel. Bij planten zorgen huidmondjes voor verdamping en watertransport, en bij bomen zorgt het cambium voor groei en de vorming van jaarringen.