2.3 Veranderingen in de puberteit | Uitlegfilm

Tijdens de puberteit verandert het lichaam onder invloed van hormonen. Jongens en meisjes ontwikkelen zowel primaire als secundaire geslachtskenmerken. De primaire kenmerken zijn al vanaf de geboorte zichtbaar. Een jongen heeft een penis en een balzak. Een meisje heeft een vulva met schaamlippen, een clitoris en de opening van de vagina. Daardoor kun je meteen zien of het om een jongen of een meisje gaat.

Secundaire geslachtskenmerken ontstaan tijdens de puberteit. Bij jongens gaat het bijvoorbeeld om een lagere stem, meer lichaamsbeharing, schaamhaar en een gespierdere lichaamsbouw. Ook groeien de penis en de balzak. Meisjes krijgen bredere heupen, borsten en rondere lichaamsvormen. Daarnaast ontstaat er schaamhaar en meer lichaamsbeharing. Sommige kenmerken zijn specifiek voor jongens of meisjes, maar schaamhaar en lichaamshaar komen bij beiden voor. Deze veranderingen hangen samen met het geslachtsrijp worden.

De rol van hormonen

Hormonen spelen een centrale rol in dit proces. Hormonen zijn stofjes die door hormoonklieren worden gemaakt en via het bloed door het lichaam reizen. Ze sturen allerlei processen aan, zoals slaap, groei en reacties op emoties. Tijdens de puberteit zorgen specifieke hormonen ervoor dat het lichaam volwassen wordt.

Een belangrijke hormoonklier is de hypofyse. Deze klier zit in de hersenen en maakt hormonen die andere hormoonklieren aan het werk zetten. Zo stimuleert de hypofyse onder andere de eierstokken van meisjes en de teelballen van jongens om hormonen te produceren. Deze hormonen zorgen weer voor de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken.

Menstruatiecyclus

Bij meisjes speelt de hormonale regeling een grote rol in de menstruatiecyclus. In de eierstokken zitten vanaf de geboorte al veel onrijpe eicellen. Ongeveer één keer per 28 dagen rijpt er één eicel. Zodra deze eicel vrijkomt uit de eierstok, spreken we van de eisprong. De eicel leeft daarna nog ongeveer 12 tot 24 uur en reist via de eileider richting de baarmoeder.

Als er zaadcellen aanwezig zijn, kan er een bevruchting plaatsvinden. De bevruchte eicel reist dan door naar de baarmoeder en nestelt zich in het verdikte baarmoederslijmvlies. Dat slijmvlies wordt steeds dikker doordat er bloedvaatjes in groeien. Deze bloedvaatjes zorgen voor zuurstof en voedingsstoffen, waardoor de bevruchte eicel kan uitgroeien tot een embryo.

In de meeste cycli vindt er geen bevruchting plaats. Het slijmvlies wordt dan weer afgebroken en komt samen met bloed via de vagina naar buiten. Dit noemen we de menstruatie. De menstruatie duurt meestal ongeveer vier dagen, maar dat wisselt per persoon. Na de menstruatie begint de cyclus opnieuw.

Belangrijke momenten in de cyclus

De eerste dag van de menstruatie is dag één van de cyclus. De eisprong vindt gemiddeld plaats rond dag 14. Dat kan iets eerder of iets later zijn, maar dag 14 is een handig uitgangspunt. Omdat de menstruatiecyclus steeds opnieuw begint, maakt het lichaam zich elke maand klaar voor een mogelijke bevruchting.

In een voorbeeldvraag kijken we naar Esmeralda, die op 25 mei geslachtsgemeenschap had en daarna niet meer ongesteld werd. Omdat de eisprong rond die datum plaatsgevonden moet hebben, tellen we veertien dagen terug. Haar laatste menstruatie begon dan rond 11 mei. Dit soort vragen kom je vaak tegen bij examens.