2.2 Organen van planten | Uitlegfilm

In deze paragraaf leer je over de organen van planten. We bekijken uit welke delen een plant bestaat, welke functies die hebben en hoe ze samen zorgen voor fotosynthese. Ook maken we onderscheid tussen houtachtige en kruidachtige planten.

De organen van planten

Planten bestaan uit drie hoofdorganen: wortels, stengels en bladeren. Samen zorgen deze delen voor opname van stoffen, transport, stevigheid en groei. We bespreken ze één voor één.

De wortels

Alle wortels van een plant samen vormen het wortelstelsel. Meestal is er een dikke hoofdwortel met daaraan zijwortels. Aan de zijwortels zitten wortelharen die water en mineralen opnemen uit de bodem.

Wortels hebben drie belangrijke functies:

1. Opname van water en mineralen. Dit gebeurt vooral via de wortelharen. Als wortelharen beschadigd raken, bijvoorbeeld door zure regen, kan de plant geen water meer opnemen.

2. Stevigheid. De wortels zetten de plant stevig vast in de grond. Hoe groter het wortelstelsel, hoe steviger de plant staat en hoe minder snel ze omvalt.

3. Opslag van reservestoffen. In de wortels worden reservestoffen opgeslagen, zoals suikers. In de lente gebruikt de plant die om nieuwe bladeren te vormen. Ook wij eten wortels van planten, zoals de oranje wortel vol energie.

De stengel

De stengel verbindt de wortels met de bladeren en heeft twee functies: transport en stevigheid. Via de stengel gaan water en mineralen omhoog en worden voedingsstoffen, zoals glucose, omlaag vervoerd naar de wortels.

In de stengel zitten vaten – dunne buisjes die samen vaatbundels vormen. Sommige vaten transporteren stoffen van beneden naar boven, andere juist van boven naar beneden. Daarnaast dragen stengels bladeren, bloemen en vruchten, net als een kapstok.

De bladeren

Een blad bestaat uit een bladsteel, hoofdnerf, zijnerven en bladmoes. In het bladmoes vindt fotosynthese plaats – het proces waarmee de plant zijn eigen voedsel maakt.

Fotosynthese is het proces waarbij de plant met behulp van zonlicht glucose en zuurstof maakt uit water en koolstofdioxide (CO₂). De glucose gebruikt de plant om te groeien, en een deel wordt opgeslagen in de wortels. De zuurstof komt vrij in de lucht en is onmisbaar voor dieren en mensen.

Het woord fotosynthese betekent letterlijk ‘iets maken met licht’. Foto betekent licht en synthese betekent iets maken. De plant maakt dus stoffen met behulp van lichtenergie.

Kruidachtige en houtachtige planten

Kruidachtige planten, zoals de brandnetel, bevatten weinig hout. Ze blijven stevig door het water in hun cellen. Krijgen ze te weinig water, dan gaan ze slap hangen.

Houtachtige planten, zoals bomen, bevatten veel hout. Daardoor blijven ze stevig, ook zonder water. Zelfs na het kappen blijft het hout hard en stevig.

Samenvattend: planten bestaan uit wortels, stengels en bladeren. Elk orgaan heeft zijn eigen functie en samen maken ze via fotosynthese de groei van de plant mogelijk.