2.2 Organen van planten Samenvatting

Wortels

Planten hebben verschillende soorten wortels, meestal met een hoofdwortel, zijwortels en wortelharen. Alle wortels samen vormen het wortelstelsel, een orgaanstelsel met drie functies:

  • Opname: via wortelharen neemt de plant water en mineralen op uit de bodem.
  • Stevigheid: wortels verankeren de plant stevig in de grond.
  • Opslag: wortels slaan reservestoffen op om in het voorjaar snel te kunnen groeien.

Een voorbeeld is de paardenbloem: deze sterft in de herfst bovengronds af, maar de wortel met reservestoffen blijft ondergronds actief en zorgt in de lente voor nieuwe groei.

Stengels

Stengels verbinden de wortels met de bladeren en hebben twee hoofdfuncties:

  • Transport: water en mineralen gaan omhoog naar de bladeren, en glucose wordt naar andere delen vervoerd.
  • Stevigheid: houtachtige planten (zoals bomen) zijn stevig door hout, terwijl kruidachtige planten stevig blijven door waterdruk in de stengel en verslappen bij een tekort aan water.

Een proef met gekleurd water laat zien dat stengels water met opgeloste stoffen naar andere plantendelen vervoeren.

Bladeren

Een blad bestaat uit verschillende onderdelen:

  • Bladsteel: verbindt het blad met de stengel.
  • Bladschijf: het platte deel van het blad met nerven.
  • Nerven: hoofdnerf en zijnerven die stevigheid geven en zorgen voor transport.
  • Bladmoes: het weefsel tussen de nerven, waar fotosynthese plaatsvindt.

De belangrijkste functie van bladeren is het maken van voedsel via fotosynthese. Dit gebeurt vooral in het bladmoes, maar soms ook in groene stengels. Hiervoor is water nodig, dat via de wortels en nerven naar het bladmoes wordt vervoerd.

Vatenstelsel

In stengels, nerven en wortels lopen vaten, vaak gegroepeerd in vaatbundels. Samen vormen ze het vatenstelsel, dat zorgt voor transport in de plant:

  • Water en mineralen: van de wortels naar de bladeren.
  • Glucose: van de bladeren naar andere plantendelen.

Woordenlijst

  • Bladmoes: Al het materiaal dat tussen de nerven ligt.
  • Bladschijf: Het platte gedeelte van een blad.
  • Bladsteel: Hiermee zit een blad aan de stengel vast.
  • Houtachtige planten: Bomen en struiken die veel hout bevatten in hun stengels.
  • Kruidachtige planten: Planten met weinig of geen hout in hun stengels.
  • Mineralen: Voedingsstoffen die opgelost zijn in het water in de bodem.
  • Nerven: Hoofdnerf en zijnerven; bestaan uit vaatbundels.
  • Reservestoffen: Stoffen die de plant opslaat voor later gebruik.
  • Vaatbundel: Groepjes vaten die bij elkaar liggen.
  • Vaten: Dunne buisjes in de stengel voor transport van stoffen.
  • Vatenstelsel: Alle vaten van een plant samen; zorgt voor transport.
  • Wortelharen: Dunne uitstulpingen aan de uiteinden van wortels.
  • Wortelstelsel: Alle wortels van een plant samen.
  • Zijwortels: Vertakkingen van de hoofdwortel.