2.1 Botten Samenvatting
Hoe zit je skelet in elkaar?
Het skelet bestaat uit ongeveer 206 botten die samen stevigheid en vorm aan je lichaam geven. Belangrijke onderdelen zijn de schedel, die de hersenen beschermt, de wervelkolom, die de schedel draagt en verbonden is met het bekken, en de ribben en borstkas, die het hart en de longen beschermen.
De ledematen bestaan uit botten zoals het opperarmbeen, ellepijp, spaakbeen, dijbeen, scheenbeen en kuitbeen.
Waarvoor dient je skelet?
Het skelet heeft verschillende functies:
- Het geeft stevigheid zodat je lichaam niet in elkaar zakt.
- Het bepaalt de vorm van je lichaam.
- Het beschermt kwetsbare organen zoals het hart en de hersenen.
- Het maakt beweging mogelijk doordat spieren aan de botten vastzitten.
Waar zijn botten van gemaakt?
Botten zijn opgebouwd uit beenweefsel, dat kalk bevat voor hardheid en lijmstof voor buigzaamheid. Binnenin de botten bevindt zich beenmerg: geel beenmerg slaat vet op, terwijl rood beenmerg bloedcellen aanmaakt.
Kraakbeen is een buigzaam weefsel dat soepele beweging mogelijk maakt.
Waardoor zijn kinderen zo soepel?
Het skelet verandert met de leeftijd. Bij baby’s bevat het skelet veel kraakbeen, waardoor het buigzaam maar niet stevig is. Tijdens de groei verandert kraakbeen in bot, een proces dat verbening heet.
Groeischijven zorgen voor lengtegroei tot ongeveer 20 jaar. Bij ouderen neemt de hoeveelheid lijmstof in de botten af, waardoor botten minder buigzaam en sneller breekbaar worden.
Hoe vangt je wervelkolom schokken op?
De wervelkolom vangt schokken op dankzij zijn dubbele S-vorm, die het mogelijk maakt in- en uit te veren. Ook zorgen kraakbeenschijven tussen de wervels voor demping: ze werken als schokdempers.
Een wervel bestaat uit een wervellichaam en een wervelgat waarin het ruggenmerg ligt.
Woordenlijst
- Beencellen: Cellen die het beenweefsel vormen; ze groeien in ringen.
- Beenmerg: Zit in het midden van een bot.
- Beenweefsel: Bestaat uit beencellen die een stevige stof maken met veel kalk en weinig lijmstof.
- Beenderstelsel: Skelet; alle botten van je lichaam.
- Bekken: Deel van het skelet dat onder andere bestaat uit de twee heupbeenderen en het heiligbeen.
- Borstkas: Borstbeen, ribben en borstwervels; beschermt het hart en de longen.
- Dubbele S-vorm: Speciale vorm van de wervelkolom, die de wervelkolom veerkrachtig maakt.
- Groeischijven: Kraakbeencellen in de uiteinden van botten; hierdoor kan het bot groeien.
- Kraakbeen: Bestaat bijna helemaal uit lijmstof en is daardoor erg buigzaam; kan botten met elkaar verbinden.
- Kraakbeencellen: Cellen in het kraakbeen; liggen in groepjes.
- Kraakbeenschijven: Schijven van kraakbeen tussen de wervels in de wervelkolom; maken de wervelkolom veerkrachtig.
- Ledematen: Armen en benen.
- Pijpbeenderen: Lange en dunne botten; hierin zit geel beenmerg waar vet in opgeslagen wordt.
- Platte beenderen: Platte en brede botten; hierin zit rood beenmerg dat bloedcellen vormt.
- Schedel: De botten van je hoofd.
- Skelet: Alle botten samen.
- Verbening: Veranderen van kraakbeen in been.
- Wervelgat: Het gat in een wervel; hierin zit het ruggenmerg.
- Wervelkolom: Geheel van wervels en kraakbeenschijven; heeft een dubbele S-vorm.
- Wervellichaam: Het stevige deel van een wervel.
Alles gelezen? Test jezelf met een paar vragen en kijk wat je al goed begrijpt over paragraaf 2.1!
Meer leren? Wikipedia – Skelet .