14.4 Inademen en uitademen

In deze paragraaf leer je hoe inademen en uitademen werken. Het sluit aan op de vorige uitleg over gaswisseling. Daar vond de opname van zuurstof en de afgifte van koolstofdioxide plaats. Dat kan alleen wanneer de lucht in de longen steeds wordt ververst. Daarom adem je voortdurend in en uit.

Wat is longventilatie?

Longventilatie betekent dat verse lucht de longen instroomt en gebruikte lucht weer wordt afgevoerd. Dat gebeurt door inademen en uitademen. Je kunt het vergelijken met het openzetten van ramen, waardoor frisse lucht het huis binnenkomt.

Tijdens het inademen werken verschillende spieren samen. Deze spieren vergroten de borstholte. De longen zitten vast in deze holte, waardoor ze worden uitgerekt en lucht naar binnen stroomt. Bij uitademen gebeurt het tegenovergestelde: de borstholte wordt kleiner en de lucht wordt naar buiten geduwd.

Borstademhaling

Bij borstademhaling spelen vooral de tussenribspieren een rol. Deze spieren zitten tussen de ribben en zorgen ervoor dat de ribbenkast omhoog en naar voren beweegt. Daardoor wordt de borstkas groter en kan lucht instromen. Wanneer deze spieren ontspannen, zakt de borstkas weer omlaag en adem je uit.

Buikademhaling

Daarnaast is er de buikademhaling. Hierbij beweegt het middenrif, een groot gespierd vlies onder de longen. Wanneer het middenrif aanspant, zakt het naar beneden. Daardoor wordt de borstholte groter en stroomt lucht naar binnen. Ontspant het middenrif, dan beweegt het omhoog en wordt lucht naar buiten gedrukt.

In het dagelijks leven gebruiken mensen vaak zowel borst- als buikademhaling tegelijk. Zo blijft de longventilatie constant en blijft de gaswisseling in de longen goed verlopen.