11.1 Man en vrouw Samenvatting
Wanneer is een jongen vruchtbaar?
Vanaf de puberteit maakt een jongen voor het eerst zaadcellen. Deze voortplantingscellen ontstaan onder invloed van hormonen uit de hypofyse, die de zaadballen stimuleren. Die produceren naast zaadcellen ook het hormoon testosteron. Dat zorgt voor de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken, zoals baardgroei en een lagere stem. Een jongen is vruchtbaar vanaf zijn eerste zaadlozing, die soms optreedt tijdens de slaap als een natte droom.
Wanneer is een meisje vruchtbaar?
Meisjes worden geboren met duizenden onrijpe eicellen in hun eierstokken. In de puberteit worden deze voor het eerst rijp onder invloed van hypofysehormonen. Tijdens de vruchtbare periode – de dagen rond de eisprong – kan een meisje zwanger worden. Een meisje merkt dat ze vruchtbaar is als ze voor het eerst ongesteld wordt.
Wanneer wordt een meisje ongesteld?
Ook bij meisjes start de puberteit door hormonen uit de hypofyse. Deze zorgen ervoor dat eicellen gaan rijpen in de eierstokken. Tegelijkertijd wordt het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen aangemaakt. Dit hormoon zorgt voor secundaire geslachtskenmerken én voor het dikker worden van het baarmoederslijmvlies. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt dit slijmvlies afgestoten tijdens de menstruatie. Dit gebeurt ongeveer elke 28 dagen en markeert het begin van een nieuwe menstruatiecyclus.
Hoe wordt de menstruatiecyclus geregeld?
Vier hormonen sturen samen de menstruatiecyclus aan: FSH, LH, oestrogeen en progesteron. Aan het begin van de cyclus zorgt FSH (follikel stimulerend hormoon) dat een follikel met een eicel gaat groeien. Die follikel maakt op haar beurt oestrogeen aan, dat het baarmoederslijmvlies laat groeien en FSH remt. Veel oestrogeen stimuleert dan weer de productie van LH (luteïniserend hormoon), wat leidt tot de ovulatie (of eisprong).
Na de eisprong blijft de follikel achter als het gele lichaam (of corpus luteum) en gaat progesteron maken. Dit hormoon houdt het baarmoederslijmvlies in stand en voorkomt dat er een nieuwe eicel rijpt. Als er geen bevruchting plaatsvindt, daalt de hoeveelheid oestrogeen en progesteron, en begint de menstruatie opnieuw. Zo herhaalt de menstruatiecyclus zich telkens opnieuw.
Woordenlijst
- Baarmoeder: Orgaan waarin een baby kan groeien.
- Baarmoederslijmvlies: Bloedrijke laag aan de binnenkant van de baarmoeder.
- Balzak: Huidplooi waarin de zaad- en bijballen liggen.
- Bevruchting: Samensmelting van een zaadcel en eicel.
- Bijballen: Orgaan waar zaadcellen tijdelijk worden opgeslagen.
- Corpus luteum: Latijnse naam voor het gele lichaam.
- Eicel: Voortplantingscel van de vrouw.
- Eierstokken: Organen waarin eicellen rijpen.
- Eileider: Vervoert eicel naar de baarmoeder en is plaats van bevruchting.
- Eisprong: Het vrijkomen van een rijpe eicel uit de eierstok.
- Errectie: De penis wordt stijf door bloed in zwellichamen.
- Follikel: Blaasje waarin een eicel rijpt.
- FSH: Hormoon uit de hypofyse dat de follikel laat groeien.
- Gele lichaam: Rest van de follikel die hormonen aanmaakt na de eisprong.
- Hormonen: Stoffen die processen in het lichaam regelen.
- Hypofyse: Hormoonklier onder de hersenen.
- LH: Hypofysehormoon dat de eisprong op gang brengt.
- Menstruatie: Het loslaten van het baarmoederslijmvlies met wat bloed.
- Menstruatiecyclus: Maandelijkse cyclus van rijping, eisprong en menstruatie.
- Natte droom: Zaadlozing tijdens de slaap.
- Oestrogeen: Vrouwelijk hormoon dat geslachtskenmerken en slijmvliesgroei regelt.
- Ongesteld: Periode waarin het slijmvlies wordt afgestoten.
- Ovulatie: Ander woord voor eisprong.
- Progesteron: Hormoon dat het baarmoederslijmvlies in stand houdt.
- Prostaat: Klier die zaadvocht toevoegt en urinebuis afsluit.
- Secundaire geslachtskenmerken: Veranderingen in uiterlijk tijdens puberteit.
- Sperma: Mengsel van zaadcellen en zaadvocht.
- Testosteron: Mannelijk geslachtshormoon uit de zaadballen.
- Urinebuis: Buis waardoor sperma of urine naar buiten komt.
- Vruchtbaar: In staat om kinderen te krijgen.
- Vruchtbare periode: Dagen rond de eisprong waarop bevruchting mogelijk is.
- Voortplantingscellen: Zaadcellen bij mannen en eicellen bij vrouwen.
- Zaadblaasjes: Klieren die zaadvocht maken.
- Zaadcellen: Voortplantingscellen van de man.
- Zaadleiders: Buisjes die sperma naar de urinebuis brengen.
- Zaadballen: Mannelijke organen die zaadcellen en testosteron maken.
- Zaadlozing: Het vrijkomen van sperma uit de penis.
- Zwellichamen: Weefsel in de penis dat zorgt voor een erectie.
Klaar met lezen? Test jezelf met vragen over 11.1 .