10.2 Zenuwcellen en zenuwen Samenvatting

Wat zijn zenuwcellen?

Het zenuwstelsel bestaat uit miljoenen zenuwcellen die samenwerken om impulsen door het lichaam te geleiden. Een zenuwcel heeft altijd een cellichaam met daarin de celkern, en meerdere uitlopers. Die uitlopers geleiden impulsen naar het cellichaam toe of juist ervan af. Sommige uitlopers kunnen wel een meter lang zijn! Zo kunnen signalen snel van de ene naar de andere plek in je lichaam worden gestuurd.

Drie typen zenuwcellen

Afbeelding van drie typen zenuwcellen met gevoelszenuwcel, schakelcel en bewegingszenuwcel en hun signaalrichting Er zijn drie soorten zenuwcellen met elk hun eigen taak:

  • Gevoelszenuwcellen brengen impulsen van zintuigen naar het centrale zenuwstelsel. Ze hebben een lange uitloper die signalen naar het cellichaam toe leidt.
  • Bewegingszenuwcellen sturen impulsen vanuit het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren. Zij hebben juist een lange uitloper die signalen van het cellichaam af geleidt.
  • Schakelcellen verbinden gevoels- en bewegingszenuwcellen met elkaar. Ze geven impulsen door binnen het centrale zenuwstelsel en liggen daar ook volledig in.

Hoe werken zenuwen?

Een zenuw is een bundel van uitlopers van zenuwcellen, netjes bij elkaar gehouden door een laag bindweefsel die zorgt voor bescherming. Rond elke uitloper zit een isolerend laagje, zodat signalen niet kunnen overspringen naar een andere uitloper.

Er zijn drie soorten zenuwen:

  • Gevoelszenuwen: bevatten alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen.
  • Bewegingszenuwen: bevatten alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen.
  • Gemengde zenuwen: bevatten uitlopers van zowel gevoels- als bewegingszenuwcellen. De meeste zenuwen in je lichaam zijn van dit gemengde type.

Van en naar je hersenen

Impulsen uit je romp en ledematen reizen via het ruggenmerg naar je hersenen. Spieren en klieren in dat gebied ontvangen hun signalen ook via het ruggenmerg. Voor je hoofd en hals loopt dit anders: die impulsen gaan via de hersenstam, zonder het ruggenmerg te gebruiken.

Woordenlijst

  • Bewegingszenuw: Zenuw die alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen bevat.
  • Bewegingszenuwcel: Cel die impulsen geleidt van het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren.
  • Bindweefsel: Stevige laag om een zenuw die bescherming biedt.
  • Cellichaam: Deel van een zenuwcel waarin de celkern zit.
  • Gemengde zenuw: Zenuw met uitlopers van gevoels- en bewegingszenuwcellen.
  • Gevoelszenuw: Zenuw met alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen.
  • Gevoelszenuwcel: Cel die impulsen geleidt van zintuigen naar het centrale zenuwstelsel.
  • Schakelcel: Cel die impulsen doorgeeft binnen het centrale zenuwstelsel.
  • Uitloper: Deel van een zenuwcel die impulsen naar of van het cellichaam geleidt.
  • Zenuw: Bundel uitlopers van zenuwcellen, omgeven door bindweefsel.
  • Zenuwcel: Cel die bestaat uit een cellichaam met uitlopers die impulsen geleiden.