1.4 Chromosomen | Uitlegfilm
In deze video leer je wat chromosomen zijn en welke functie ze hebben in een cel. Iedere plantaardige en dierlijke cel bevat een celkern met daaromheen een kernmembraan. In die celkern liggen de chromosomen. Dat zijn lange, dunne draden waarop de erfelijke informatie staat. Die informatie verschilt per soort, maar ook per organisme.
Wanneer je chromosomen onder de microscoop bekijkt, zie je vaak een overzicht waarin alle chromosomen in paren zijn gerangschikt. Bij de mens zie je bijvoorbeeld 22 paren met lichaamschromosomen en één paar geslachtschromosomen. Een meisje heeft twee X-chromosomen, terwijl een jongen een X- en een Y-chromosoom heeft. Door naar het laatste paar te kijken, kun je dus het geslacht bepalen.
Hoe chromosomen zichtbaar worden
Chromosomen zijn alleen goed zichtbaar wanneer een cel zich gaat delen. Tijdens zo’n deling worden alle chromosomen eerst gekopieerd. De cel moet namelijk beide nieuwe cellen voorzien van dezelfde erfelijke informatie. Daarom verschijnen de chromosomen als compacte pakketjes in de cel. Zodra de deling is afgerond, rollen ze weer uit tot lange dunne draden, waardoor ze bijna onzichtbaar worden.
In werkelijkheid ziet een chromosoom eruit als een lange, opgevouwen draad. Die draad is strak opgerold rondom eiwitten. Daardoor lijkt een chromosoom op een klein pakketje of ‘worstje’. Trek je zo’n draad denkbeeldig uit elkaar, dan blijkt hij veel langer te zijn dan je zou verwachten. Op die draad bevinden zich de instructies die bepalen hoe een cel moet functioneren.
Aantallen chromosomen per soort
Ieder organisme heeft een eigen aantal chromosomen. Mensen hebben 46 chromosomen in een lichaamscel, verdeeld in 23 paren. Een muis heeft 40 chromosomen en een aardappelplant veel meer. Een fruitvlieg heeft er juist maar 8. Het aantal verschilt dus sterk per soort, maar in een lichaamscel komen chromosomen bijna altijd voor in paren. Daardoor is het totale aantal chromosomen meestal even.
Geslachtscellen vormen een uitzondering. Een eicel en een zaadcel bevatten slechts de helft van het aantal chromosomen. Wanneer ze samensmelten bij de bevruchting, ontstaat er weer een volledige set. Zo heeft een menselijke eicel 23 chromosomen en een zaadcel ook 23, samen vormen ze 46.
Er zijn uitzonderingen. Bij mensen met trisomie 21, zoals bij het syndroom van Down, komt een chromosoom drie keer voor. Toch ga je in de basis altijd uit van een even aantal chromosomen per lichaamscel.
Voorbeeld uit een examenopgave
In een examenvraag over varkens werd gevraagd of de getoonde chromosomen afkomstig waren van een mannelijk of een vrouwelijk dier. Omdat het laatste paar ongelijk was – een groot en een klein chromosoom – ging het om een mannelijk dier. Bij varkens werkt dat op dezelfde manier als bij de mens.
De tweede vraag ging over het aantal chromosomen in een eicel van een wild zwijn. Een varken heeft 36 chromosomen in een lichaamscel, dus een eicel bevat precies de helft: 18 chromosomen. Bij de bevruchting worden die twee sets weer samengevoegd, zodat een complete nieuwe chromosomencombinatie ontstaat.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 1.4
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 1.4
.