1.3 Cellen van dieren en planten | Uitlegfilm

In deze video leer je hoe dierlijke cellen en plantaardige cellen zijn opgebouwd. Je ziet welke onderdelen in beide celtypen voorkomen en welke kenmerken juist verschillen. Daardoor kun je straks beter herkennen of een microscopische afbeelding bij een dierlijke of plantaardige cel hoort.

Dierlijke cellen

Een dierlijke cel heeft altijd een celmembraan. Dit is een dun vlies dat de cel omsluit en regelt welke stoffen de cel in en uit gaan. Zo kan de cel bijvoorbeeld voedingsstoffen opnemen en afvalstoffen afvoeren.

In de kern van de cel ligt de celkern met daaromheen het kernmembraan. In de celkern bevinden zich de chromosomen. Het kernmembraan zorgt ervoor dat deze netjes bij elkaar blijven.

Verder bestaat een groot deel van de cel uit cytoplasma. Dit is een waterige stof waarin alle onderdelen van de cel drijven. De extra organellen die je in gedetailleerde tekeningen ziet, hoef je in deze paragraaf nog niet te kennen.

Plantaardige cellen

Plantaardige cellen hebben dezelfde basisonderdelen als dierlijke cellen, maar daarnaast nog een paar extra kenmerken. Zo bevatten ze bladgroenkorrels. Deze herken je aan hun groene kleur. In deze korrels vindt fotosynthese plaats: met zonlicht worden water en koolstofdioxide omgezet in glucose en zuurstof.

Een tweede belangrijk verschil is de celwand. Deze stevige laag zit om het celmembraan heen en geeft de plantencel extra steun. De celwand laat stoffen wel door, doordat er kleine openingen in zitten.

Daarnaast heeft een plantencel een grote vacuole. Dit blaasje vult zich met vocht. Wanneer de vacuole veel water bevat, duwt hij tegen de celwand. Daardoor blijft de plant rechtop staan. Krijgt een plant te weinig water, dan verliest de vacuole spanning en gaat de plant slap hangen.

Overeenkomsten en verschillen

Planten- en dierlijke cellen hebben allebei een celmembraan, een celkern, een kernmembraan en cytoplasma. Plantaardige cellen hebben daarbovenop een celwand, een vacuole en bladgroenkorrels. Daardoor kun je in een afbeelding vaak snel zien met welk celtype je te maken hebt.

Het is soms lastig om het celmembraan en de celwand uit elkaar te houden. De celwand is altijd de buitenste laag. Het celmembraan zit daarbinnen. Onthoud dus dat alleen plantencellen een celwand bezitten.

Plastiden

Plantaardige cellen bevatten verschillende soorten plastiden. Dit zijn korrels met een eigen functie. Bladgroenkorrels zijn verantwoordelijk voor fotosynthese. Daarnaast zijn er kleurstofkorrels. Deze geven planten of vruchten hun kleur, zoals de rode kleur in een tomaat.

Ook zijn er zetmeelkorrels. Deze zie je veel in aardappelen. Ze slaan reservestoffen op die de plant later kan gebruiken. Plastiden zijn dus een typisch kenmerk van plantaardige cellen.

Voorbeelden van examenvragen

Een veelvoorkomende vraag is in welk onderdeel fotosynthese plaatsvindt. Het juiste antwoord is altijd de bladgroenkorrel, omdat daar het proces plaatsvindt.

Bij andere vragen moet je bepalen of twee cellen tot hetzelfde weefsel behoren. Dat kan alleen wanneer ze dezelfde bouw en functie hebben.

Verder moet je weten dat een celwand alleen voorkomt bij plantencellen. Dierlijke cellen hebben wel een celmembraan en een celkern, maar nooit een celwand.