1.3 Cellen van dieren en planten Samenvatting

Wat hebben alle cellen gemeen?

Schema van dierlijke en plantaardige cellen met celmembraan, cytoplasma, celkern en celwand Elke cel, of die nu uit een dier of een plant komt, is als een klein fabriekje. Binnenin vind je cytoplasma, een stroperige vloeistof waarin allerlei stoffen zijn opgelost. Hierin ligt de celkern, het regelcentrum van de cel. De celkern is omgeven door een dun kernmembraan en de hele cel wordt omsloten door het celmembraan. Dit vlies houdt alles bij elkaar en bepaalt wat er in en uit de cel mag.

Wat is er anders aan plantaardige cellen?

Plantaardige cellen hebben een paar extra onderdelen. Zo bevat het cytoplasma vaak één of meer vacuolen – blaasjes gevuld met vocht. In jonge cellen zijn dat er veel, maar bij oudere cellen groeit dat uit tot één grote vacuole. Ook hebben plantencellen een celwand: een stevige laag om de cel heen die zorgt voor extra stevigheid. Deze celwand hoort niet bij de cel zelf, maar zit eromheen als een soort beschermlaag.

Korrels in plantencellen

In het cytoplasma van plantencellen komen ook korrels voor. Elke soort korrel heeft zijn eigen taak:

  • Bladgroenkorrels (groen): hierin vindt fotosynthese plaats. De plant maakt zo zijn eigen voedingsstoffen en krijgt zijn groene kleur.
  • Kleurstofkorrels (geel, oranje of rood): geven bloemen en vruchten hun opvallende kleuren.
  • Zetmeelkorrels (kleurloos): hierin wordt zetmeel opgeslagen, een belangrijke reservestof voor de plant.

Deze korrels kunnen zelfs in elkaar overgaan. Bijvoorbeeld: als een mandarijn rijpt, veranderen bladgroenkorrels in kleurstofkorrels, en krijgt de vrucht zijn oranje kleur.

Intercellulaire ruimten

Tussen plantencellen zitten kleine holtes, de intercellulaire ruimten. Die zijn gevuld met lucht of water en spelen een rol bij de uitwisseling van stoffen.

Woordenlijst

  • Bladgroenkorrels: Groene korrels waarin fotosynthese plaatsvindt en die de plant delen hun groene kleur geven.
  • Celkern: Deel van de cel dat alle processen in de cel aanstuurt.
  • Celmembraan: Dun vlies om het cytoplasma dat de buitenste begrenzing vormt van een cel.
  • Celwand: Stevig laagje om een plantencel heen dat zorgt voor stevigheid; dit hoort niet bij de cel zelf.
  • Cytoplasma: Stroperige vloeistof van water met opgeloste stoffen waarin onderdelen van de cel liggen.
  • Kleurstofkorrels: Gele, oranje of rode korrels die bloemen en vruchten hun opvallende kleur geven.
  • Vacuolen: Blaasjes gevuld met vocht in het cytoplasma van plantencellen. Jonge cellen bevatten veel kleine, oudere één grote.
  • Zetmeelkorrels: Kleurloze korrels waarin zetmeel ligt opgeslagen als reservestof.