1.1 Organismen | Uitlegfilm
In deze uitlegvideo leer je wat een organisme is en welke levenskenmerken daarbij horen. Een organisme is een levend wezen. Denk aan dieren, planten, schimmels en eencelligen. Al deze organismen vertonen levensverschijnselen zolang ze leven. Ontbreken die verschijnselen volledig, dan is een organisme dood. Sommige dingen in de natuur hebben nooit levensverschijnselen gehad. Die noemen we levenloos.
Levenskenmerken van organismen
Alle organismen vertonen een aantal vaste levenskenmerken. Het eerste kenmerk is voeden. Organismen nemen voedingsstoffen op. Dat kan door eten, maar eencelligen nemen stoffen op via hun celmembraan.
Een ander kenmerk is ademhalen. Daarbij gebruiken organismen zuurstof of andere gassen om energie vrij te maken. Vervolgens is er uitscheiding. Hierbij worden afvalstoffen verwijderd, zoals koolstofdioxide, urine of andere stoffen die het lichaam niet meer nodig heeft.
Daarna volgt waarnemen en reageren. Organismen reageren op prikkels uit hun omgeving. Denk aan licht, geur of geluid. Ook bewegen hoort erbij. Tot slot zijn voortplanten en groeien en ontwikkelen belangrijke levenskenmerken.
Groei, ontwikkeling en stofwisseling
Bij groei wordt een organisme groter en zwaarder. Een jong dier zoals een konijn groeit uit tot een volwassen dier. Bij ontwikkeling verandert de bouw van een organisme. Een rups verandert bijvoorbeeld in een vlinder. Ook bij zoogdieren zie je ontwikkeling. Jonge dieren kunnen bepaalde functies nog niet uitvoeren, zoals voortplanten.
Veel levenskenmerken hangen samen met stofwisseling. Dat is het geheel aan processen waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen. Denk aan vertering, waarbij voedsel wordt afgebroken tot kleine deeltjes. Ook verbranding is een stofwisselingsproces. Glucose reageert met zuurstof en levert energie op die nodig is voor beweging en andere processen.
Levensfasen van de mens
Een mens doorloopt verschillende levensfasen. Een baby groeit snel en ontwikkelt zijn zintuigen. Een peuter leert praten en bewegen. Een kleuter ontwikkelt sociale vaardigheden en speelt met anderen. Een schoolkind leert lezen, schrijven en rekenen.
Tijdens de puberteit verandert het lichaam sterk. Je kunt aan het begin van de puberteit nog geen nakomelingen krijgen, maar aan het einde wel. Daarna volgt de fase van adolescent, waarin je zelfstandiger wordt. Als volwassene ben je volledig zelfstandig. In de laatste levensfase, ouderdom, heb je steeds meer hulp van anderen nodig.
Voorbeeld van een examenvraag
In de video wordt een examenvraag besproken over de harlekijnboktor. Je zoekt daarbij naar levenskenmerken die in de tekst genoemd worden. Voeden en voortplanten mag je niet gebruiken, omdat deze al gegeven zijn. In de tekst staat bijvoorbeeld dat de larven “kruipen”, wat een vorm van bewegen is. Ook tijdens de vlucht van de boktor is sprake van beweging. Daarom is bewegen een juist levenskenmerk als antwoord.
Let bij dergelijke vragen goed op welke soort wordt beschreven en welke levenskenmerken al genoemd zijn. Zo kies je het juiste antwoord uit de tekst.
Liever de samenvatting lezen? Lees hier de
samenvatting over paragraaf 1.1
.
Klaar met luisteren?
Test jezelf met vragen over 1.1
.