1.1 Ontdek je binnenste Samenvatting

Waaruit bestaat je lichaam?

Schema van cel, weefsel en orgaan met verschillende soorten cellen onder de microscoop Je lichaam zit vol met organen, ook al zie je die van buiten niet. Elk orgaan heeft een eigen taak. Zo pompt je hart het bloed rond en zorgen je darmen voor het verteren van voedsel. Al die organen werken vaak samen in een orgaanstelsel. Bijvoorbeeld: je hart en bloedvaten vormen samen het bloedvatenstelsel. Daarmee wordt bloed – met zuurstof en voedingsstoffen – door je hele lichaam vervoerd. Om te begrijpen hoe alles in je lichaam ligt, gebruiken biologen vaak een torso: een plastic model van het lichaam zonder armen, benen en hoofd.

Welke orgaanstelsels heb je?

Overzicht van orgaanstelsels van de mens met onder andere hart, longen, maag en darmen Je lichaam bestaat uit verschillende orgaanstelsels die elk een belangrijke taak hebben:

  • Het ademhalingsstelsel (met o.a. neus, luchtpijp en longen) haalt zuurstof uit de lucht.
  • Het verteringsstelsel (zoals maag en darmen) zorgt ervoor dat voedingsstoffen uit je eten in je bloed terechtkomen. Dit heet verteren.
  • Het beenderstelsel (ook wel skelet) geeft je lichaam stevigheid en zorgt dat je rechtop kunt staan.
  • Het spierstelsel zorgt ervoor dat je kunt bewegen.

Bij een activiteit zoals hardlopen werken al deze stelsels samen. Je gaat sneller ademen om meer zuurstof op te nemen, je hart klopt sneller om die zuurstof en voedingsstoffen bij je spieren te brengen, en je spieren trekken samen om te bewegen.

Waaruit bestaan organen?

Alle organen zijn opgebouwd uit piepkleine bouwstenen: cellen. Die kun je alleen zien met een microscoop. Cellen verschillen per orgaan, afhankelijk van hun taak. Zo zijn spiercellen lang en rekbaar, en liggen wangcellen juist dicht tegen elkaar aan. Toch hebben alle cellen dezelfde basisonderdelen:

  • De celkern – die regelt wat er in de cel gebeurt.
  • Het cytoplasma – een stroperige vloeistof waar alles in ligt.
  • Het celmembraan – een dun vlies dat de cel bij elkaar houdt.

Als veel van dezelfde cellen samenwerken, vormen ze samen een weefsel. Bijvoorbeeld: veel spiercellen vormen spierweefsel, dat helpt je lichaam te bewegen.

Woordenlijst

  • Ademhalingsstelsel: Groep onderdelen die zorgen voor het opnemen van lucht en het halen van zuurstof uit die lucht.
  • Beenderstelsel: Groep botten die samen stevigheid geven aan je lichaam en het rechtop houden.
  • Bloedvatenstelsel: Groep onderdelen die samen zorgen voor het vervoeren van bloed met zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam.
  • Cel: Kleinste bouwsteentje van het lichaam waaruit alle onderdelen zijn opgebouwd.
  • Celkern: Rond bolletje in een bouwsteentje dat alles in dat bouwsteentje aanstuurt.
  • Celmembraan: Dun vlies om een bouwsteentje dat de inhoud bij elkaar houdt.
  • Cytoplasma: Stroperige vloeistof in een bouwsteentje waarin alles ligt.
  • Orgaan: Onderdeel van je lichaam met een eigen taak, zoals bloed rondpompen of lucht opnemen.
  • Orgaanstelsel: Groep organen die samenwerken aan dezelfde taak.
  • Skelet: Verzameling botten die samen zorgen voor steun en vorm van je lichaam.
  • Spierstelsel: Groep spieren die ervoor zorgen dat je lichaam kan bewegen.
  • Torso: Model van een lichaam zonder hoofd, armen en benen, waarmee je kunt zien hoe alles binnenin ligt.
  • Verteren: Het kleiner maken van voedsel zodat je lichaam de voedingsstoffen kan opnemen.
  • Verteringsstelsel: Groep onderdelen die eten kleiner maken zodat voedingsstoffen in je bloed terechtkomen.
  • Weefsel: Groep dezelfde cellen die samen één taak uitvoeren.