1.1 Ontdek je binnenste | Test jezelf Resultaat Probeer opnieuw 1. Wat is de taak van het hart? A. Voedsel verteren B. Bloed rondpompen C. Afvalstoffen verwijderen D. Lucht opnemen 2. Wat zijn organen? A. Alleen delen die je van buiten kunt zien B. Onderdelen van je lichaam met een eigen taak C. Alleen de botten en spieren D. Delen van je lichaam zonder functie 3. Wat is een torso? A. Een skelet van een dier B. Een onderdeel van het spierstelsel C. Een plastic model van een lichaam zonder hoofd, armen en benen D. Een andere naam voor de wervelkolom 4. Wat is de functie van het ademhalingsstelsel? A. Voedingsstoffen afbreken B. Lucht reinigen in je neus C. Zuurstof opnemen uit ingeademde lucht D. Zuurstof vervoeren naar de cellen 5. Wat doet het verteringsstelsel? A. Haalt zuurstof uit de lucht B. Maakt voedsel kleiner C. Pompt bloed rond D. Verbrandt zuurstof 6. Wat is een ander woord voor het beenderstelsel? A. Spiergroep B. Torsomodel C. Skelet D. Lichaamsomhulsel 7. Wat is een celkern? A. Een vloeistof in de cel B. Het deel dat alles in de cel regelt C. Een laag van cellen bij elkaar D. Een rand rondom de cel 8. Welke taak heeft het skelet? A. Zuurstof vervoeren B. Voedsel verteren C. Stevigheid geven aan je lichaam D. Zorgen voor ademhaling 9. Wat gebeurt er met je spieren als je hardloopt? A. Ze nemen voedingsstoffen op B. Ze verbruiken meer zuurstof en voedingsstoffen C. Ze ontspannen zich D. Ze worden kleiner 10. Wat is een orgaanstelsel? A. Verzameling van botten B. Een ander woord voor spierstelsel C. Groep organen die samenwerken aan één taak D. Eén enkel orgaan met meerdere functies 11. Wat is verteren? A. Het regelen van ademhaling B. Het kleiner maken van voedsel C. Het vervoeren van bloed D. Het verbranden van zuurstof 12. Wat is cytoplasma? A. Stroperige vloeistof waarin celonderdelen liggen B. Een ander woord voor celkern C. Een groep spiercellen D. De buitenkant van een cel 13. Wat zorgt ervoor dat je lichaam kan bewegen? A. Beenderstelsel B. Spierstelsel C. Verteringsstelsel D. Ademhalingsstelsel 14. Wat is een celmembraan? A. Buis die lucht vervoert B. Kern van de cel C. Vlies dat de inhoud van de cel bij elkaar houdt D. Vloeistof waarin de cel ligt 15. Wat is een weefsel? A. Alleen spiercellen samen B. Groep van dezelfde cellen met dezelfde taak C. Verzameling van organen D. Een klein orgaan 16. Wat doen spiercellen tijdens het bewegen? A. Ze worden langzamer B. Ze groeien C. Ze trekken samen en worden korter D. Ze smelten samen tot een groter weefsel 17. Hoe ziet een spiercel eruit? A. Rond en glad B. Lang en elastisch C. Hoekig en klein D. Plat en dik 18. Wat is de volgorde van luchtstroom bij inademen? A. Longen – keel – neus B. Neus – luchtpijp – longen C. Luchtpijp – neus – maag D. Mond – longen – luchtpijp 19. Waarom hebben spiercellen een andere vorm dan wangcellen? A. Omdat ze een andere taak hebben B. Omdat ze met bloed werken C. Omdat ze niet in de mond zitten D. Omdat ze kleiner zijn 20. Wat is de rol van de slokdarm? A. Lucht naar de longen brengen B. Voedsel in het bloed opnemen C. Voedsel naar de maag vervoeren D. Spieren aansturen 21. Waarom zijn cellen belangrijk? A. Omdat ze zuurstof vervoeren B. Omdat ze eten kunnen verteren C. Omdat ze de bouwstenen van organen zijn D. Omdat ze lucht kunnen vasthouden Vorige Volgende Controleer antwoorden