Voorbeeld | Uitlegfilm
Welkom bij de uitleg van basisstof 1 van het thema transport en afweer.
In deze video gaat het over bloed. We kijken waaruit bloed bestaat en wat de functies zijn van de verschillende onderdelen.
Het thema transport en afweer gaat over bloed en het bloedvatenstelsel. Het bloedvatenstelsel bestaat uit het hart en de bloedvaten. Het hart pompt het bloed door de bloedvaten zodat het overal in het lichaam komt. Het bloed zelf bestaat uit verschillende bestanddelen die allemaal hun eigen functie hebben. Het is belangrijk dat deze bestanddelen goed door het hele lichaam kunnen worden vervoerd zodat ze hun werk kunnen doen. Dat is dan ook meteen een van de functies van het bloedvatenstelsel.
Als je bloed in een reageerbuisje zou doen en je laat dat even staan of stopt het in een centrifuge zodat het heel hard ronddraait, dan ontstaan er laagjes. Je kunt bloed dan opdelen in twee delen: bloedplasma en vaste bestanddelen. Normaal gesproken zijn die gemengd, maar als het even stilstaat zakken de zwaardere delen naar beneden. Het lichtere deel, het bloedplasma, blijft bovenin.
Ongeveer iets meer dan de helft van het bloed bestaat uit bloedplasma. Bloedplasma bestaat uit water met opgeloste stoffen, bijvoorbeeld koolstofdioxide, en uit plasma-eiwitten. In het bloedplasma zitten ook antistoffen. Dat zijn eiwitten die ziekteverwekkers onschadelijk maken. Een ander plasma-eiwit is fibrinogeen, dat een rol speelt bij de bloedstolling.
De vaste bestanddelen zijn de rode bloedcellen, de witte bloedcellen en de bloedplaatjes. Het grootste deel daarvan bestaat uit rode bloedcellen, een klein deel uit witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Rode bloedcellen zorgen voor het vervoer van zuurstof en koolstofdioxide. Ze bevatten hemoglobine. Dat geeft de rode kleur aan het bloed, maar de echte functie van hemoglobine is het binden van zuurstof. Rode bloedcellen nemen zuurstof op in de longen, vervoeren dat door het lichaam en geven het weer af aan de cellen. Ze nemen daarna de afvalstof koolstofdioxide mee terug naar de longen, waar je het uitademt.
Witte bloedcellen zorgen voor het onschadelijk maken van ziekteverwekkers. Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen die dat op verschillende manieren doen. Sommige witte bloedcellen herkennen een ziekteverwekker, vouwen zich eromheen en nemen hem op. Op die manier maken ze hem onschadelijk. Deze witte bloedcellen kunnen van vorm veranderen en door de wand van een bloedvat heen kruipen om ziekteverwekkers buiten het bloed op te ruimen.
Andere witte bloedcellen maken antistoffen. Die hechten zich aan ziekteverwekkers en zorgen ervoor dat ze beter herkend en opgeruimd kunnen worden. Je kunt die antistoffen zien als kleine vlaggetjes die aan de ziekteverwekker vastzitten. Samen zorgen de witte bloedcellen ervoor dat het lichaam zich kan verdedigen tegen ziekteverwekkers.
De bloedplaatjes zorgen samen met het plasma-eiwit fibrinogeen voor de bloedstolling. Als er een bloedvat beschadigd raakt, bijvoorbeeld doordat je je snijdt, dan trekken de spiertjes rond dat bloedvat samen zodat je minder bloed verliest. Daarna hechten bloedplaatjes zich aan de randen van de wond. Ze geven stoffen af waardoor nog meer bloedplaatjes worden aangetrokken. Zo ontstaat een propje dat het bloeden vermindert.
Tegelijkertijd wordt fibrinogeen omgezet in fibrine. Dat is een kleverige stof die draden vormt. Die draden maken een netwerk over de wond heen. In dat netwerk blijven bloedplaatjes, rode bloedcellen en witte bloedcellen hangen. Op die manier wordt de wond afgesloten en krijgt het bloedvat de kans om zichzelf te herstellen.
Samengevat: bloed bestaat uit bloedplasma en vaste bestanddelen. Bloedplasma vervoert stoffen als zuurstof, koolstofdioxide, voedingsstoffen en afvalstoffen. Rode bloedcellen vervoeren zuurstof en koolstofdioxide. Witte bloedcellen maken ziekteverwekkers onschadelijk. Bloedplaatjes zorgen samen met fibrinogeen voor de stolling van het bloed bij een wond.
Heel veel succes en tot de volgende video.