13.7 Transplantaties en bloedtransfusies | Uitlegfilm

De basisstof wordt hier nog 6 genoemd, maar de inhoud klopt volledig.

In deze uitleg behandelen we transplantaties en bloedtransfusies.

Transplantaties

Bij een transplantatie wordt een beschadigd of ziek orgaan vervangen door een gezond orgaan van een donor. De donor is degene die het orgaan afstaat, en bij de ontvanger wordt het donororgaan geplaatst. Soms wordt het zieke orgaan verwijderd, maar bij sommige transplantaties, zoals bij een niertransplantatie, blijft het oude orgaan zitten.

Het is belangrijk dat de antigenen van donor en ontvanger zoveel mogelijk overeenkomen. Antigenen zijn eiwitten aan de buitenkant van cellen die aangeven of iets bij het lichaam hoort of niet. Herkent het immuunsysteem vreemde antigenen, dan volgt een afweerreactie. Het lichaam probeert het donororgaan dan af te stoten.

Hoe beter de antigenen overeenkomen, hoe kleiner de kans op afstoting. De ontvanger krijgt meestal afweeronderdrukkende medicijnen zodat het nieuwe orgaan beter wordt geaccepteerd.

Auto-immuunziekten

Een auto-immuunziekte ontstaat als het lichaam zijn eigen cellen aanvalt. Het immuunsysteem maakt dan antistoffen tegen lichaamseigen weefsel, alsof het om ziekteverwekkers gaat. Een bekend voorbeeld is reuma, waarbij het kraakbeen tussen de botten wordt afgebroken. Er zijn medicijnen die de schade beperken, maar de ziekte is niet volledig te genezen.

Bloedgroepen en bloedtransfusies

Er bestaan vier bloedgroepen: A, B, AB en 0. Deze groepen worden bepaald door de aanwezigheid van antigenen op de rode bloedcellen.

Bij bloedgroep A zit bloedfactor A op de rode bloedcellen. In het bloedplasma bevinden zich dan antistoffen tegen bloedfactor B (anti-B). Bij bloedgroep B is het omgekeerd: bloedfactor B op de rode bloedcellen en anti-A in het plasma.

Bloedgroep AB heeft beide factoren (A en B) en bevat geen antistoffen in het plasma. Bloedgroep 0 heeft geen antigenen op de rode bloedcellen, maar wel beide antistoffen (anti-A en anti-B) in het plasma.

Bij een bloedtransfusie ontvangt iemand meestal alleen rode bloedcellen. Het is van groot belang dat de bloedgroepen overeenkomen. Als iemand met bloedgroep A bloed krijgt van iemand met bloedgroep B, reageren de antistoffen van de ontvanger op de bloedfactor B van de donor. Daardoor gaat het bloed klonteren, wat levensgevaarlijk kan zijn.

Combinaties van bloedgroepen

Bloedgroep A kan bloed ontvangen van A en 0, maar niet van B of AB.
Bloedgroep B kan bloed ontvangen van B en 0, maar niet van A of AB.
Bloedgroep AB kan bloed ontvangen van alle groepen, omdat er geen antistoffen in het plasma aanwezig zijn.
Bloedgroep 0 kan alleen bloed ontvangen van 0, maar kan juist aan iedereen bloed geven, omdat er geen antigenen op de rode bloedcellen aanwezig zijn.

Bloedgroep 0 wordt daarom de universele donor genoemd, en bloedgroep AB de universele ontvanger. De andere bloedgroepen kunnen alleen bloed ontvangen van groepen waarmee geen reactie optreedt.

Dit was de uitleg over transplantaties en bloedgroepen.