13.1 Bloed | Sleep de woorden

1. Waterig deel van het bloed met plasma-eiwitten en andere opgeloste stoffen.
2. Kleine delen van cellen zonder celkern; belangrijk voor bloedstolling.
3. Ronde schijfjes zonder celkern; vervoeren zuurstof door het lichaam.
4. Onregelmatig gevormde cellen met celkern; zorgen voor afweer tegen ziekteverwekkers.
5. Eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof transporteert en de cel rode kleur geeft.
6. Plasma-eiwit dat belangrijk is voor de bloedstolling.
7. Cellen in het beenmerg waaruit bloedcellen en bloedplaatjes ontstaan.
8. Prop van bloedcellen en fibrinedraden die een wond afsluit.
9. Kanker in het beenmerg met te veel niet-functionerende witte bloedcellen.
10. Vorming van een bloedstolsel in een onbeschadigd bloedvat.
11. Stoffen die ontstaan na verbranding in cellen; afgevoerd via het bloed.
12. Belangrijkste functie van rode bloedcellen door binding met hemoglobine.
13. Functie van bloedplasma om constante lichaamstemperatuur te behouden.
14. Nodig voor de aanmaak van hemoglobine in rode bloedcellen.
15. Eiwitten in bloedplasma die infecties bestrijden en ziekteverwekkers neutraliseren.
16. Plek in botten waar stamcellen bloedcellen en bloedplaatjes vormen.
17. Mengsel van dode witte bloedcellen en bacteriën bij een ontsteking.
18. Toestand door tekort aan rode bloedcellen of hemoglobine; veroorzaakt vermoeidheid.
19. Opgeloste eiwitten in bloedplasma zoals fibrinogeen; hebben diverse functies.
20. Gedroogd bloedstolsel dat een wond afsluit na bloedstolling.
Score: 0 van de 20 goed (0%)
Bloedplasma
Bloedplaatjes
Rode bloedcellen
Witte bloedcellen
Hemoglobine
Fibrinogeen
Stamcellen
Bloedstolsel
Leukemie
Trombose
Afvalstoffen
Zuurstoftransport
Warmteverdeling
IJzerzouten
Antistoffen
Beenmerg
Pus
Bloedarmoede
Plasma-eiwitten
Korstje