9.5 Bloedtransfusie | Invuloefening

Bij een krijgt iemand bloed of onderdelen van het bloed van een bloeddonor. Niet iedereen kan van elkaar bloed ontvangen, want er bestaan verschillende die bepaald worden door antigenen op de bloedcellen. In het bloedplasma zitten tegen antigenen die iemand zelf niet heeft. Als een donor en ontvanger niet bij elkaar passen, ontstaat bloedklontering.


Mensen met bloedgroep AB hebben geen antistoffen en zijn daarom een universele . Iemand met bloedgroep heeft geen antigenen en kan aan iedereen bloed doneren; dat heet een universele . Naast de bloedgroepen speelt ook de resusfactor een rol. Wie het resusantigeen op de rode bloedcellen heeft, is resus ; wie het mist, is resusnegatief. Een resusnegatieve moeder met een resuspositieve baby kan tegen het bloed van haar kind maken, wat kan leiden tot .


Sommige mensen lijden aan een ziekte, waarbij een orgaan blijvend slecht functioneert. Soms is dan een orgaan nodig, waarbij een een orgaan afstaat aan een patiënt. Het lichaam kan het donororgaan aanvallen, wat orgaanafstoting heet. Om dit te voorkomen, krijgt de patiënt .

XP-score: 0 van de 14 punten (0%)

⭐⭐⭐⭐⭐ Log in om deze opdracht te beoordelen.