9.4 Ziek | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Wat zijn ziekteverwekkers? A. Organismen die alleen maar nuttig zijn B. Stoffen die het lichaam sterker maken C. Micro-organismen die je ziek kunnen maken D. Eiwitten in het bloed 2. Hoe komt een virus een lichaam binnen? A. Door het binnendringen van lichaamscellen B. Via zweetklieren C. Door voedselvertering D. Via rode bloedcellen 3. Wat zijn symptomen van griep? A. Witte bloedcellen in urine B. Pijn in de maag en diarree C. Problemen met de bloedsomloop D. Spierpijn, hoofdpijn en koorts 4. Wat is het verschil tussen besmetting en infectie? A. Besmetting komt alleen via de lucht B. Er is geen verschil; het zijn synoniemen C. Infectie ontstaat alleen door wondjes D. Besmetting gaat over virussen, infectie over bacteriën 5. Wat is de functie van vreetcellen? A. Ze maken nieuwe cellen aan B. Ze geven energie aan spieren C. Ze eten ziekteverwekkers op D. Ze vervoeren zuurstof naar de cellen 6. Welke cellen maken antistoffen? A. Vreetcellen B. Rode bloedcellen C. Lymfevaten D. Antistofcellen 7. Waarop passen antistoffen precies? A. Witte bloedcellen B. Antigenen van ziekteverwekkers C. Specifieke enzymen D. Bacteriën 8. Wat is een antigen? A. Een type witte bloedcel B. Een virusdeeltje C. Eiwit op de buitenkant van cellen of virussen D. Een giftige stof 9. Wat is specifieke afweer? A. Afweer via huid en haren B. Gericht afweersysteem met antistoffen tegen één soort ziekteverwekker C. Algemeen opruimen van ziekteverwekkers D. Gebruik van medicijnen bij infectie 10. Waarom is koorts nuttig bij ziekte? A. Je hersenen worden actiever B. Je gaat meer slapen C. Witte bloedcellen werken sneller bij een hogere temperatuur D. Je transpireert beter 11. Wat is een diagnose? A. Een soort behandeling B. Het vaststellen van welke ziekte je hebt C. Een virusinfectie D. Een medicijn 12. Wat is een prognose? A. Verdeling van witte bloedcellen B. Het afweersysteem activeren C. Voorspelling van het ziekteverloop D. Het herkennen van antistoffen 13. Wat betekent immuun zijn? A. Niet (meer) ziek worden van een ziekteverwekker B. Geen witte bloedcellen meer nodig hebben C. Geen antigenen meer aanmaken D. Nooit meer ziek worden 14. Wat zijn geheugencellen? A. Rode bloedcellen met geheugen B. Hersenencellen die leren van infecties C. Witte bloedcellen die na een infectie blijven bestaan D. Cellen die antistoffen vernietigen 15. Wat bevat een vaccin? A. Alleen witte bloedcellen B. Actieve antistoffen C. Water en mineralen D. Verzwakte ziekteverwekkers of hun antigenen 16. Hoe werkt passieve immuniteit? A. Door inademing van virussen B. Door het krijgen van antistoffen via injectie of borstvoeding C. Door actieve besmetting D. Door inspuiting van antigenen 17. Waarom is passieve immuniteit tijdelijk? A. Je maakt zelf geen antistoffen B. Het zit alleen in de huid C. Antigenen verdwijnen snel D. Je lichaam slaat het niet op 18. Wanneer krijg je een seruminjectie? A. Als je bloedarmoede hebt B. Als je koorts krijgt C. Bij een acute infectie of slangenbeet D. Na vaccinatie 19. Wat gebeurt er na vaccinatie? A. Je temperatuur stijgt naar 42 graden B. Je lichaam maakt antistoffen zonder ziek te worden C. Je krijgt direct symptomen D. Je witte bloedcellen worden afgebroken 20. Wat is het voordeel van vaccinatie? A. Het voorkomt besmetting via voeding B. Je hoeft nooit meer naar de dokter C. Je lichaam wordt immuun zonder ziek te worden D. Je krijgt geen infecties meer 21. Wanneer zijn antigenen lichaamseigen? A. Als ze op je eigen cellen zitten B. Als ze van een vaccin komen C. Als ze in je bloed worden geïnjecteerd D. Als ze door virussen gemaakt worden ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden