9.4 Ziek | Sleep de woorden
1. Organismen die zo klein zijn dat je ze niet met het blote oog ziet.
2. Micro-organismen die infecties veroorzaken, zoals bacteriën, virussen of schimmels.
3. Micro-organismen die ziekten veroorzaken, bijvoorbeeld ontstekingen of longontsteking.
4. Dringen cellen binnen en vermeerderen zich; veroorzaken ziekten zoals griep of verkoudheid.
5. Als ziekteverwekkers je lichaam binnendringen, bijvoorbeeld via mond of wondjes.
6. Ander woord voor besmetting; ziekteverwekkers zijn je lichaam binnengekomen.
7. Ziekten die ontstaan door een infectie met ziekteverwekkers.
8. Tijd tussen besmetting en het moment dat je ziekteverschijnselen krijgt.
9. Ziekteverschijnselen zoals koorts, spierpijn of hoofdpijn.
10. Reactie van het lichaam om ziekteverwekkers uit te schakelen.
11. Cellen in het bloed die ziekteverwekkers bestrijden.
12. Stoffen die ziekteverwekkers uitschakelen; worden gemaakt door antistofcellen.
13. Herkenningseiwitten op cellen waaraan witte bloedcellen ziekteverwekkers herkennen.
14. Je wordt niet meer ziek van een ziekteverwekker doordat je snel antistoffen aanmaakt.
15. Prik met verzwakte ziekteverwekker waardoor je lichaam antistoffen maakt.
Score: 0 van de 15 goed (0%)
Micro-organismen
Ziekteverwekkers
Bacteriën
Virussen
Besmetting
Infectie
Infectieziekten
Incubatietijd
Symptomen
Afweer
Witte bloedcellen
Antistoffen
Antigenen
Immuun
Vaccinatie