9.1 Bladeren | Test jezelf Resultaat 🔄 Probeer opnieuw 1. Waar in het blad vindt fotosynthese plaats? A. In de sluitcellen B. In de opperhuid C. In het weefsel met bladgroenkorrels D. In de nerven 2. Wat is de functie van de nerven in een blad? A. Water en opgeloste stoffen vervoeren B. Gassen opnemen en afgeven C. Fotosynthese uitvoeren D. Waterdamp verdampen 3. Wat is een huidmondje? A. Een waslaagje op de opperhuid B. Een opening in de vaatbundel C. Een ander woord voor bladgroenkorrel D. Een opening tussen twee sluitcellen 4. Wat is de functie van sluitcellen? A. Ze openen en sluiten het huidmondje B. Ze geven waterdamp af aan de lucht C. Ze voeren fotosynthese uit D. Ze vervoeren zuurstof door het blad 5. Welk onderdeel van het blad bevat géén bladgroenkorrels? A. Het weefsel tussen de huidmondjes B. De opperhuid C. De sluitcellen D. Het bladmoes 6. Welke stof is GEEN directe voorwaarde voor fotosynthese? A. Koolstofdioxide B. Licht C. Zuurstof D. Bladgroen 7. Wat ontstaat er bij fotosynthese? A. Licht en koolstofdioxide B. Glucose en zuurstof C. Waterstof en alcohol D. Water en koolstofdioxide 8. Wanneer kunnen huidmondjes sluiten? A. Alleen bij zonlicht B. Alleen bij regen C. Alleen als de sluitcellen open zijn D. ’s Nachts of bij droogte 9. Wat zorgt ervoor dat de sluitcellen van vorm veranderen? A. Verandering in waterdruk B. Lichtinval op het blad C. Aantal bladgroenkorrels D. Zuurstofdruk in de cel 10. Waarom kan fotosynthese niet plaatsvinden als huidmondjes dicht zijn? A. Omdat glucose niet kan worden opgeslagen B. Omdat er geen koolstofdioxide opgenomen wordt C. Omdat licht er dan niet in komt D. Omdat er te veel zuurstof in het blad zit 11. Welk onderdeel van het blad beschermt tegen waterverlies? A. Het waslaagje op de opperhuid B. De sluitcellen C. De nerven D. De huidmondjes 12. Hoe krijgt een blad stevigheid? A. Door suiker in de cellen B. Door fotosynthese C. Door water in de vacuolen D. Door dikke celwanden 13. Wat gebeurt er met een plant als er te weinig water in de vacuolen zit? A. De fotosynthese stopt direct B. De huidmondjes openen C. Er wordt extra glucose gemaakt D. De plant verliest stevigheid en gaat slap hangen 14. Wat is het nut van de vaatbundels in het blad? A. Ze maken bladgroen aan B. Ze vervoeren water en opgeloste stoffen C. Ze slaan glucose op D. Ze voeren zuurstof af naar de wortels 15. Wat gebeurt er met zuurstof die bij fotosynthese ontstaat? A. Die wordt via huidmondjes afgegeven aan de lucht B. Die blijft in de bladgroenkorrels C. Die wordt opgeslagen in de vacuole D. Die wordt via wortels afgevoerd 16. Welk onderdeel van het blad speelt een rol bij gaswisseling? A. Vaatbundels B. Huidmondjes C. Waslaagje D. Bladmoes 17. Waarom vindt er geen fotosynthese plaats bij lage temperatuur? A. Omdat de huidmondjes bevriezen B. Omdat de reactie dan niet goed verloopt C. Omdat het blad water verliest D. Omdat bladgroen dan uitvalt 18. Wat is de rol van zonlicht bij fotosynthese? A. Licht opent de huidmondjes B. Licht maakt zuurstof aan C. Licht levert energie voor de reactie D. Licht maakt water vloeibaar 19. Wat gebeurt er bij fotosynthese met koolstofdioxide? A. Het wordt omgezet in glucose B. Het wordt omgezet in stikstof C. Het wordt omgezet in water D. Het wordt verbrand 20. Wanneer openen huidmondjes zich meestal? A. Overdag bij voldoende water B. Alleen 's nachts C. Wanneer de vacuolen leeglopen D. Alleen als het regent 21. Wat is het nut van het waslaagje op de opperhuid? A. Zorgt voor kleur in het blad B. Slaat glucose op C. Vermindert waterverlies D. Maakt bladgroenkorrels aan ⬅ Vorige Volgende ➡ Controleer antwoorden